De man en ik

Ik fietste langs het kanaal in de richting van het volgende dorp. De weg was smal. Er kwam een auto achterop gereden. Het geluid van een motor in een lage versnelling achter mij, gaf mij een opgejaagd gevoel. Bij een passeerplaats werd ik ingehaald. Even verderop stopte de auto. Een openslaand portier, daarna het geluid van een handrem. Ik ging langzamer fietsen en keek naar de man die over het midden van de weg in mijn richting kwam gelopen. Een wervelwind door mijn maag. Mijn benen leken van beton. Er was ruimte genoeg om de man te passeren, maar toch stopte ik toen we elkaar bereikten. Alsof ik tegengehouden werd door een onzichtbare hand. Ik keek onbewust om mij heen. Er was niemand. Alleen de man en ik.

‘Ga je vissen?’ en hij wees over het water.

‘Nee’, antwoordde ik. Daarna vertelde ik over mijn neef die zijn verjaardag gehouden had, maar dat ik daar toen niet naar toe kon omdat oma ook al jarig was op diezelfde dag en een feest hield in het gebouw waar de hele familie was, de andere kant dan, niet de kant van mijn neef, bij wie ik alsnog op de verjaardag mocht komen waar we friet zouden gaan eten die we zelf gingen maken.

 

Ik vertelde heel veel en snapte niet waarom ik dat deed. Het was alsof hij me ertoe dwong, alsof zijn blik een slang was die zich langzaam om mijn borst heen slingerde en de woorden uit mijn lichaam wrong. Ik vertelde hem over het cadeau dat ik had gekocht en ondertussen wilde ik schreeuwen, maar juist dát kon ik niet. De man kwam dichterbij. Hij had een vriendelijk gezicht. Een zwarte baard met grijze plukken. Hij droeg een versleten broek. Zijn handen lagen nu op het stuur van mijn fiets. Hij zei helemaal niets, keek me alleen maar aan met een blik die dwars door me heen leek te gaan. Het was alsof mijn borst door een steen werd geplet. Ik dacht aan de verhalen die rondgingen op het schoolplein over kinderlokkers die niemand had gezien. En na verloop van tijd verdween het weer.

 

De auto stond een stukje verderop. De motor draaide nog altijd. Het portier stond open. Het gaf me een onrustig gevoel, alsof er ergens in huis een deur op een kier stond. De man kwam dichterbij. Hij vroeg of ik weleens viste hier in het kanaal. Zijn handen gleden over het stuur. Zijn rechterhand in de richting van de bel, de andere in de richting mijn hand. Zijn hand straalde een soort van warmte uit. Ik wilde mijn hand weghalen, maar zelfs dat lukte niet. Ik stond aan de grond genageld. Hij stond nu heel dicht bij mij. Een doordringende geur van zweet en sigaretten. Ik was niet meer in staat om scherp te denken, om de consequenties te overzien van wat er straks gebeuren zou.

 

De wereld om ons heen was leeg. Rechts het kanaal, links een rij populieren met daarachter weilanden tot aan de horizon. In de verte reed een trekker over het land. Daarachter een stofwolk die langzaam opging in de blauwe hemel vol witte wolken. Her en der een pluk koeien. 

 

‘Kom je hier vandaan?’ vroeg de man. Hij streelde het stuur. In het water werd een eend genomen door een woerd. Het water spatte op, het vrouwtje verdween telkens onder water.

‘Mooi, de natuur’ zei de man. ‘Grof, maar mooi’.

Ik keek alleen maar naar de eenden. Naar het zonlicht op het onrustige water dat leek op een verzameling van duizenden spiegeltjes. De man vroeg nogmaals of ik hier vandaan kwam. Ik keek hem alleen maar aan. Het was alsof alle woorden uit mijn lichaam waren geperst. Wat er zou gaan gebeuren, kon ik niet meer overzien. Alsof mijn gedachten te pletter vlogen tegen een blinde muur. De herinnering zou ik wegstoppen, ergens achter in mijn hoofd. En toch zou ik het altijd met mij meedragen.

Ik voelde heimwee naar een tijd die nog niet eens voorbij was. 

 

In de verte klonk het geluid van een trekker. ‘Joehoe’ zei de man en hij zwaaide met zijn hand voor mijn ogen. Het geluid werd sterker.

De man keek achterom. ‘Laat maar,’ zei hij en hij liep haastig terug naar zijn auto.