Een kampioenstrui in Lexmond

De trui hing er alweer een tijdje. De eerste weken pal achter het raam en daarna aan de kast in de woonkamer van het huis dat jarenlang het huis van de drummer was. Tot het een paar jaar geleden opeens het huis van de wielrenner werd, een heel goede wielrenner, en daardoor sinds kort:
Het huis van de kampioen.
Het huis waar Rens Tulner woont.
De trui was eenvoudig. Drie verticale banen: rood, wit een blauw. De betekenis was al net zo simpel: deze trui behoorde toe aan iemand die de beste was van heel Nederland.
De beste op het baanonderdeel individuele achtervolging, drie kilometer junioren, om precies te zijn.

Een paar weken na zijn titel sprak ik hem kort. De trui hing nog achter het raam, de bijbehorende medaille glansde in de zon. Rens stond klaar voor een training en ik vroeg hoe lang hij over die drie kilometer had gedaan. Een antwoord en een korte rekensom later bleek dat hij de kaap van een gemiddelde snelheid van 50 kilometer per uur ruim had gepasseerd. Ik bekeek zijn dunne benen, voelde mij groot en zwaar, en besefte dat het bij wielrennen toch vooral om souplesse draait.

De trui was als een magneet voor mijn ogen; elke keer wanneer ik het huis passeerde, moest ik er even naar kijken. Gewoon, omdat het zo bijzonder is, die roodwitblauwe trui die daar zomaar in een Lexmondse woonkamer hangt. Maar vooral, omdat ik heel sterk realiseerde dat deze trui geen kledingstuk is dat je achteloos aanschiet om een rondje te gaan fietsen, maar een stuk wielercultuur met een heel mooie symboliek.
In dit geval: dat van een belofte die langzaam maar zeker tot ontplooiing komt.
De bevestiging ook dat de eigenaar, die zich met volle overgave heeft gestort op zijn droom, de juiste weg is ingeslagen.
De weg die hopelijk naar nog veel meer rood-wit-blauwe truien leidt.
Naar nog meer succes.

Vorige week bracht ik mijn kinderen naar school en zomaar opeens leek de trui te zijn verdwenen.
Lichte paniek, een vlaag van teleurstelling.
Terug naar huis, fietste ik naar het raam, keek heel even om mij heen, en gluurde dan met mijn gezicht tegen het raam gedrukt naar binnen.
Ik moest het wel zeker weten.
De trui hing nog altijd op dezelfde plek, als een lichtbron in de halfduistere woonkamer.
Opluchting was mijn deel.

Ik hoop dat die mooie trui nog lang blijft hangen.