Omdat het schitterend was.

Bij het verlaten van Meerkerk hoorde ik nog lang de stem van Henk van der Linden over het dorp schallen.
Hij had het druk.
Een podium gevuld met drie helden moest gevraagd worden naar hun ervaringen uit de koers die even daarvoor beëindigd was. Ervaringen die niet te bevatten waren voor hen die de koers vanaf een plein op een groot scherm hadden gezien.
Een polderinferno.
Daarna waren er zoenen en bloemen en vooral heel veel respect dat te groot was om in woorden te vangen.

Ik wandelde richting mijn fiets en wist eigenlijk niet zo goed wat ik voelde. Het was een emotie, dat was zeker, maar waarom, waarover? Ik kon het niet heel goed plaatsen.
Was het de leegte omdat het voorbij was? Een koers die deed denken aan een film waardoor ik helemaal was meegesleurd. En opeens was daar het licht in de zaal en werd ik terug geduwd naar een wereld waarin ik helemaal nog niet wilde zijn.

Of was het dat schrijnende verdriet dat ik elk jaar weer voel bij deze koers. Een herkenbaar verdriet voor hen die weten hoe het voelt om iemand te missen die helemaal nog niet gemist mag worden. Een verdriet dat abstracter wordt met de jaren, zachter misschien, maar daarmee niet minder. Een verdriet dat ingesleten raakt, dragelijker, maar nooit zal verdwijnen.

Verdriet om een naam die voor veel jongens in de koers van nu een naam uit het verleden is geworden. Een naam die met de jaren misschien wel symbool is gaan staan voor iets dat eigenlijk niet in woorden uit te drukken is, maar dat voelbaar is wanneer je ervoor open staat. Een gevoel van verbondenheid met de polder, de wind, de elementen en het samen beleven van een koers op een winderig plein.
Het gevoel samen Poldriën te zijn.

Poldriëns op de voorste rij van een theater waarin een meesterstuk werd vertoond. Een winderige lynchpartij die het peloton al vroeg in koers aan stukken sloeg.
Als een suikerklont in een gloeiend hete kop thee.

En op het plein in Meerkerk keken we elkaar eens diep in de ogen, stootten we elkaar maar eens verlekkerd aan, omdat we beseften dat dit zo’n dag zou worden waarover jaren later nog altijd zou worden gesproken.
Een dag waarvan opa zijn kleinkind vertelde dat hij erbij is geweest.
En vanavond laat, wanneer de nacht over de polder zou glijden en de stofwolken opgelost waren in de eindeloos hoge hemels van de Waard, zouden er nog altijd renners zijn die kermend langs dijktaluds kropen, zichzelf vervloekend dat ze ooit voor deze sport hadden gekozen.

En wij, knus verzameld rondom de koersmarkt waar van alles te krijgen was waar een renner niet harder van gaat fietsen, kregen er zo af en toe wat van mee. Niet alleen door de beelden op een heel groot scherm, maar vooral door de hagel en de wind die zo af en toe over onze kop heen joegen. Een terechte kastijding, een vorm van solidariteit met de jongens in koers die met hun ranke lijven overgeleverd waren aan een stel weergoden met een vreselijk slecht humeur.
Het was een middag vol contrast. Niet alleen vanwege de schizofrenie van de elementen; het ging van striemende hagel naar een vriendelijke zon, maar vooral vanwege de kou die gecompenseerd werd met de warmte die gloeide in onze lijven. Een wij-gevoel, vanwege een gedeelde trots over een streek die in staat was zo een prachtige koers op de planken te krijgen.
Een koers als een thriller met een hoofdrol voor de wind die door het kronkelen van de wegen overeenkomsten vertoonde met een sluipmoordenaar die op elk moment toe kon slaan.

Er was geen nationale televisie, er was geen landelijke pers, maar wat hier vanmiddag in Meerkerk gebeurde symboliseerde alles wat de koers tot de mooiste sport ter wereld maakt. En opeens besefte ik dat we morgen weer naar de renners op het allerhoogste niveau zouden kijken, de allerbeste renners ter wereld die in gesloten formatie van Luik naar Bastenaken zouden rijden en daarna weer terug, maar dat wat wij hier vandaag hadden gezien, hadden meegemaakt, pas echt
het hart raakte van de koers.

Een peloton vol jongens, een hoop met de belofte van een mooie wielertoekomst aan de afgetrainde kont, dat bijna 190 kilometer lang met open vizier knokte met weerbarstige elementen.
Wielrennen in haar puurste, misschien wel primaire vorm.

Ik wist niet precies wat ik voelde, maar het was er:
Kippenvel op mijn armen, een brok in mijn keel en tranen in mijn ogen.

Omdat het schitterend was.