Schrik

Ik fietste door een industrieel niemandsland tussen Utrecht en Nieuwegein.
Rechts van mij staken stompe, fantasieloze gebouwen dreigend af tegen de zilvergrijze schemering.
Links gleed een roeiboot bijna geruisloos door het water.
Het rode achterlicht maakte telkens een korte terugslag en schoot dan een stuk vooruit.
Een ritme dat gestimuleerd werd door een vrouw met megafoon op een damesfiets die ik vlotjes passeerde.

Daarna werd het stil en hoorde ik alleen het zachte ruisen van de stad.
Het leek alsof de duisternis een sprint had ingezet.
Uit de hemel viel regen waar je niet echt nat van wordt.
Regen die naar zomer rook.

Opeens zag ik ze lopen voor mij op het fietspad:
twee mannen met hun hoofd verstopt in een capuchon.
Ze liepen veel breder dan strikt noodzakelijk.
Als een geïrriteerde vogel met opgeblazen verentooi.
Ik keek om mij heen, buiten de twee en mijzelf was er helemaal niemand.
Daarna schatte ik de ruimte tussen het duo en de waterkant en riep voorzichtig iets van ‘pardon’ waarop geen enkele reactie volgde.
Volgens mijn teller reed ik 33,4 kilometer per uur.
Een loodzwaar gevoel in mijn maag.

Ik kneep mijn ogen een beetje toe, alsof ik op het punt stond van de hoogste duikplank te springen, zette nog iets aan en schoot de bevrijdende ruimte in.
Mijn schouder raakte een andere schouder
Scheldwoorden die ik bijna niet hoorde.
Pas bij het St Antonius ziekenhuis in Nieuwegein zakte mijn hartslag weer naar een normaal niveau.

En terwijl ik de kubus vol ziekte en verlichtte raampjes bekeek, dacht ik aan mijn vader en zijn dood hier ergens diep in het gebouw.

En ik dacht aan mijn zoon, die ik de nacht ervoor getroost had na een enge droom en ik besefte dat een zoon altijd een beetje vader nodig heeft.