Het sigaretje dat ik begreep

De vrouw droeg kleding die vooral bedoeld was haar lichaam met de geringste overlast te bedekken. Daaronder een stel stevige stappers in stemmig bruin. Ze fietste mij tegemoet ergens tussen Meerkerk en Lexmond.
Een loodzware versnelling.

Rechts blies de snelweg grauwe uitstoot naar de hemel en links lag de Zouweboezem, een wonderbaarlijk mooi stuk natuurschoon, een parel in de polder. Een contrast op een paar vierkante kilometer dat mij dagelijks verbaasde.

De vrouw stapte af. Ze trok haar fiets op een standaard waar ook een Harley Davidson stabiel op kon staan, rommelde wat in een gebloemde zadeltas, schikte haar kleding en ging rustig zitten in de berm met uitzicht op het wuivende gras waarin een handvol koeien graasde.

Het was warm, ik balanceerde op de rand van een stevige hongerram en de wind stond tegen. Het gaf mij alle tijd de vrouw eens goed te bekijken. Haar haren waren getemd in een permanentje dat mijn moeder 30 jaar geleden eens in de twee maanden liet zetten, verder een roodomrande bril die een beetje naar voren geschoven op haar stevige neus stond.

Net toen ik haar als een slak passeerde, stak ze een sigaretje op. De hemel trok heiig dicht, vogels cirkelden loom in de lucht, in de verte loeide een koe.

Ik begrijp rokers niet altijd. Zeker niet wanneer ze weggestopt in smerige hokken gehaast aan hun verslaving gehoorzamen.
Maar dit sigaretje begreep ik wel.
Stiekem inhaleerde ik de rook die over de weg dreef en dacht heel even aan vroeger, aan zomerse nachten vol bier, sigaretten en zorgeloze lol, waarvan je later pas beseft hoe zorgeloos het was