De grens

Ik was de grens weer eens gepasseerd.

De grens die ervoor zorgt dat een mens niet enkel op de fiets stapt om de conditie te paaien, het gewicht te bedwingen, maar om dromen na te jagen.

Dromen over grootse prestaties die er nu eindelijk eens moesten komen.

De grens ook die de deur wagenwijd openzet voor de teleurstelling waarvan ik zeker wist dat die deze keer het feest niet zou bederven.

 

Ik stond dagelijks op de weegschaal en constateerde zeer tevreden dat er twee kilo van mijn lijf verdwenen was.

Voor de spiegel spande ik mijn benen en genoot van de vorm die er door de trainingen in gebeiteld was.

Over mijn gladgeschoren kuiten kronkelde een ader.

 

Het was gluiperig gegaan, stiekem, en pas toen ik er was, had ik het door en wilde ik er blijven.

Ik voelde de behoefte om de hele dag tegen iedereen over koers te praten

en ging er voor het gemak maar vanuit dat anderen dat boeiend vonden.

Een leven met oogkleppen, omdat het hoofd barstensvol zat met beelden van mezelf ergens in een dorp waar ik met machtige pedaalslagen een compleet peloton op de pijnbank legde.

 

Ik ging nadenken over mijn eten, liet chips en andere rotzooi staan en kon bijna niet wachten op de dag dat het moest gaan gebeuren.

 

En op de dag dat het moest gaan gebeuren, werd ik eraf gereden als een kleuter, aan stukken gehakt en vermorzeld door jongens die niet droomden maar deden.

 

Op de fiets op weg naar huis, had ik een uur lang de tijd om de zaak te overdenken.

Ik was leeg en voelde mij als vroeger wanneer ik op bed lag en buiten op straat mijn vriendjes hoorde spelen.

Ik probeerde de zaak te relativeren, maar de teleurstelling was te groot.

Ondertussen twijfelde ik zo ongeveer aan alles waarmee ik mij mee bezighield.

Wat was het allemaal waard, wanneer je er zo kansloos vanaf wordt gereden?

Een gevoel alsof de koers de basis was van alles wat ik was.

 

Mijn verstand zei dat ik het groter maakte dan het was, dat er jongens waren met meer talent en dat het ene rondje mij beter lag dan het andere,

maar mijn gevoel liet geen ruimte voor relativering.

Ik liet me gewillig meevoeren in een stroom van negatieve gedachten en voelde heel sterk de behoefte mijn fiets de Lek in te smijten, omdat ik er helemaal klaar mee was.

 

Toch bleef ik fietsen, ploeterend tegen een hoge berg van zelfbeklag. En zomaar opeens had ik het door: ik was er weer eens ingestonken. Voor de zoveelste keer in mijn leven. Het besef schiep wat ruimte in het hoofd en terwijl ik zo af en toe mijn trouw malende benen bekeek, voelde ik dat het niet helemaal verdwenen was.

Dat er iets van mijn dromen was blijven hangen in mijn hoofd.

Maar ik voelde vooral dat het allemaal draait om evenwicht.