Geluk in Frankrijk

Ach, ik weet het nog goed, hoewel het al zeker 18 jaar geleden is.
We gingen naar Frankrijk, op bezoek bij Wilco van Snippenberg die vakantiewerk deed op een camping aan het Lac de Pareloup, een meer in de vorm van een wolvenkop ergens diep verscholen in het Centraal Massief.
Nog altijd, bij het uitspreken van die naam, voel ik de magische sfeer van die vakantie.

We waren: Arjan van Snippenberg, de oudere broer van Wilco en Jarco de With, mijn allerbeste vriend.

Het was al laat in de avond toen we vertrokken in de volgepropte Fiat Uno van Arjan. De weg was geplaveid met de laatste roodgekleurde zonnestralen van de dag. Het grote avontuur was begonnen.
Rond de klok van twee passeerden we Parijs.
Parijs!
De lichtstad, de hoofdstad van de voorspelbare romantiek.
Starend in het duister probeerden we een glimp van de Eiffeltoren te vangen, maar we zagen enkel torenhoge flats die als duistere monsters de snelweg overschaduwden. Ik probeerde mij voor te stellen hoe het moest zijn, zo ergens midden in zo’n flat te wonen.
Het lukte niet.
Parijs kreeg ineens een heel andere betekenis.

We reden verder. Het asfalt zong als een roadsong onder onze wielen. Een duistere, onbekende wereld trok in flarden aan ons voorbij.
Tegen de morgen viel ik in slaap.

Twee uur later werd ik wakker van het ritme dat gebroken was door het einde van de tolweg.
Flarden van een verse morgen drongen door het opengedraaide autoraam naar binnen, uitwisseling van geld, merci en au revoir en dan weer verder.
Uit de boxen van de radio klonken Franse kreten gevolgd door muziek die ik niet kende. Een paar kilometer en dan verdween de zender weer.

In het oosten klom de zon richting de hemel die beschilderd leek met de prachtigste kleuren.
Links en rechts van de weg strekten glooiende akkers vol zonnebloemen, graan en grote rollen hooi zich uit tot aan de horizon. Heel in de verte reed een trekker met een stofwolk die honderden meters lang in de lucht bleef hangen.
Mooie bloemen in de berm, roofvogels zwevend op de thermiek.
Kilometers verderop een dorp dat als een kartelrand de leegte onderbrak.

Ik draaide het autoraam een beetje open en snoof de ochtend naar binnen.
Het was alsof de ruimte van het land, dat aan weerszijden van de weg baadde in de gloed van de snel rijzende zon, zich als een wervelwind mijn borst in draaide.

Slechts vier jaar daarvoor was mijn zusje verongelukt. Haar leven was in de knop gebroken, dat van mij was onderbroken. Alsof ik het verdriet, dat als bouwstof tot in de diepste hoeken en gaten van het leven was doorgedrongen, als een blok beton achter mij aan moest slepen.

En nu, met de aanblik van dat weidse, goudgekleurde land, voelde ik een ruimte, een vrijheid die ik al jaren niet meer had gevoeld. Het was alsof er een last van mijn schouders viel.

Ik voelde mij gelukkig.

Even later reden we een dorp binnen op zoek naar een ontbijt. We parkeerden de auto langs de straat, vlak bij een monument van een soldaat met flinke lijst namen op de sokkel. De Franse driekleur hing slap aan haar stok. Her en der stonden grote boerderijen met grote houten schuren waarin grote landbouwmachines stonden geparkeerd. In de bakkerij stond een handvol mensen. Hun taal was onverstaanbaar, maar klonk als de prachtigste muziek. De ochtend was fris, maar aan alles was te voelen dat het een mooie, warme dag zou worden.

We reden verder. Knagend van een stuk afgebroken stokbrood. Het landschap veranderde van vlak en weids in heuvelachtig en zwaar bebost. Zo af en toe brak het bos open en knipperden we met onze ogen tegen de zon die nu hoog aan de hemel stond. De geur van het dennenwoud was overal.

In de jaren daarvoor had ik er vaak van gedroomd. Van een prachtig land met een helende schoonheid. Totdat ik wakker werd en de toegangsweg gesloten was.
Route Barrée.

En nu, op deze schitterende morgen, was ik er.
Het land van mijn dromen bestond. Ook wanneer ik wakker was.

Een land waarvan ik alleen de mooie schilderachtige buitenkant kende. Of beter gezegd: wilde zien. De beelden van die eindeloos duistere flats vol armoede rondom Parijs werden verdrongen door die prachtige beelden van een land dat baadde in schoonheid.

Ik hoop dat er ooit een evenwicht zal ontstaan tussen die twee, op het eerste gezicht onverenigbare, kanten van een land dat mij een moment schonk dat ik nooit meer zal vergeten.