Over schepping of wat dan ook

We reden naar het noorden aan het einde van een dag die eigenlijk nooit echt begonnen was. Een hardnekkige nevel bedekte de wereld. Het was nog geen zes uur in de avond, maar het leek alsof de nacht alweer viel.

Aan weerszijden van de weg strekten weilanden zich uit tot aan de horizon. Het groen lichtte op in de schemering. Gigantische boerderijen dreven als containerschepen in de nevel. Een eenzame trekker ploegde het land. De omgekeerde aarde glom als de rug van een nat geregend dier. Boven de ploeg cirkelde een zwerm meeuwen. Het wit van de vogels absorbeerde het schaarse licht. In de verte lag een dorp. Een eiland van leven in een verder verlaten wereld. Bewegwijzeringsborden spelden onbekende namen. Dokkum bleek nog maar 10 kilometer te rijden zijn. De omgeving intimideerde mij door haar weidse schoonheid.

Ik was hier eerder geweest, alweer een paar jaar geleden. We schaatsen achter elkaar over de Dokkumer Ee. Een dans over zwart ijs zonder scheuren. Boven onze hoofden schilderden de vorst en ondergaande zon een veelkleurig kunstwerk aan de hemel. Ik denk dat ik huilde. Vanwege de schoonheid van het land die ik intenser dan ooit beleefde. Een emotie die versterkt werd door de uitputting van bijna 200 kilometer schaatsen door Friesland die alle muren van relativering en nuchterheid had gesloopt. Ik was als de Eik van Bonifatius, maar voelde meer dan ooit het wonder van het leven. Het was alsof ik vervloeide met de winterwereld om ons heen, onderdeel werd van een schepping waarvan ik de oorsprong niet kende, maar waarvan ik de oerkracht voelde. Ik voelde mij nietig, maar tegelijkertijd beschermd.

Het huisje lag op steenworp afstand van natuurpark Lauwersmeer. Volgens een folder was het park een van de weinige plekken in de Westerse wereld waar het nog echt onvervuild donker wordt. De wereld zover uitgewoond dat een verschijnsel dat eigenlijk heel natuurlijk is, het vermelden waard geworden is. De nacht viel. Ze was duisterder dan thuis. In het dorp kochten we friet. Het smaakte anders dan gewoon.

De volgende dag scheen de zon. De nevel was echter gebleven en bedekte als een gouden deken het land dat zacht glooiend een onmetelijk lange geschiedenis verhaalde. Ooit was het hier woest en ledig. IJstijden hadden het land in de huidige vorm geplooid. Daarna boetseerden mensenhanden het verder. Eerst in een ongelijke strijd, de natuur als een niet te temmen monster waarmee het maar beter meebewegen was. Leven in het ritme van de natuur. Een spel van geven en nemen, een dans met een hogere macht die generaties overleeft en een fundament vormt onder het bestaan. Later leek de mens grip te krijgen op de schepping.

We reden naar de dijk die het einde van het land markeert. Daarachter lag de Waddenzee. Aan de andere zijde van de dijk lag het natuurpark Lauwersmeer. Nog niet eens zo lang geleden was het een zee die in een vast ritme het land overspoelde. Het water liet vruchtbare gronden achter die vanaf de veilige terpen werd bewerkt. Totdat de watersnoodramp van 1953 het evenwicht verstoorde. Met een dijk werd het achterliggende gebied getemd.

We wandelden door een bos dat op de 50 jaar geleden drooggevallen zeebodem was aangelegd. In het bijbehorende bezoekerscentrum ging het over de bedreigde planten en dieren die in het gebied een thuis gevonden hadden. Het werk dat er werd verricht deed denken aan jongleren met een indrukwekkend aantal ballen. Een act die door alles wat er met klimaat staat te gebeuren steeds ingewikkelder wordt. Op een grote luchtfoto aan de wand van het gebouw was te zien hoe het land achter het park verkaveld was. Agrarische rechthoeken in groen of bruin.

Ik keek naar al die vormen van menselijke scheppingsdrift en dacht aan de onbevredigende zoektocht naar een sluitende verklaring van ons bestaan. Van heel Bijbels, in zeven dagen, tot een miljoenen jaren durende keten van ontwikkelingen, mogelijk ingezet met een knal en natuurlijk alle theorieën daartussen. Maar waar de oorsprong ook ligt, de foto maakte duidelijk dat de mens van nu in een razend tempo de wereld naar haar hand heeft gezet. In veel gevallen veiliger gemaakt door zeeën te bedwingen en ruig land te ontginnen voor het verbouwen van voedsel. Wat op sommige plaatsen leidde tot zoveel welvaart dat men het zich veroorloven kon die vruchtbare gronden terug te geven aan een nieuw geschapen natuur. Er was echter ook de roofbouw. De aarde beroofd en uitgebuit, in een wurggreep genomen door de moderne, economisch gedreven mens.

Een paar uur later reden we terug naar ons huisje. Het weer sloeg om, de hemel kleurde zwart. We koersten door een aardedonkere polder. We waren alleen. De ruitenwissers zwaaiden als de armen van een drenkeling in een woeste zee. Stapvoets ging het voort over een weg die nog geen 100 meter voor ons in een waas verdween.

Juist op dat moment voelde ik hetzelfde als wat ik een aantal jaar daarvoor voelde op die ijskoude Dokkumer Ee; wij zijn niet veel meer dan een nietig onderdeel van een groter geheel. Ik realiseerde mij dat wij, hoezeer wij de natuur, de wereld naar onze norm trachten te plooien, uiteindelijk niet meer zijn dan heel kleine passanten in een niet te bevatten grootheid.

En de wereld zal zich losmaken uit onze greep. De gevolgen daarvan vullen steeds vaker het nieuws. Ondanks de dreiging die in die gedachte lag verscholen, had het ook iets moois. Ik voelde dat er een kracht is die sterker is dan alles wat er op dit moment op en met de wereld gebeurt. Alles wat we hier doen, wat ons overkomt, kan in dat grotere perspectief worden geplaatst.

Wat echter niet wegneemt dat er een heel grote verantwoordelijkheid op onze schouders rust.