Alles verandert

De wereld verandert, alles verandert, dus ook het rooster op school. Het duurt nog een jaartje maar dan gaat ook basisschool het Kompas te Lexmond mee in de dolle vaart der volkeren, die eindeloze draaikolk op weg naar meer, meer, meer, altijd maar meer, behalve dan de tijd die steeds maar schaarser dreigt te worden. Een half uurtje tussen de middag en snel, hap, hap, hap, een boterhammetje uit een trommel, effe luchten en dan weer door.
Gezegend zij de vooruitgang!

Nee, dan vroeger, lang geleden, toen mijn vader de baas was op de Liendense Eben Haezerschool. Een bruin bakstenen gevaarte met schuin daarvoor het Hoofdenhuis omringt door een tuin vol wilde pruimenbomen. Tussen de middag aten we thuis, een lekkere warme prak met appelmoes en een goed stukkie vlees en bij binnenkomst vroeg mijn vader:
Dag schat, heeft er nog iemand gebeld?

Soms schoven er juffen aan. Juffen uit andere contreien voor wie het onmogelijk was thuis bij moeders aan te schuiven. Juffen als juffrouw X.

Juffrouw X kwam ergens uit het beboste heuvelland aan de overzijde van de rivier. Ze was een soort van sjiek, niet te vergelijken met al die andere juffen op de school met hun pluizige haren en rode wangen en de vage geur van koeien in hun wijd ruisende rokken. Totaal anders dus dan we gewend waren -niets om precies te zijn- exotisch zoals u wilt, zo’n Engels kostschooltypetje, boblijn, een rond brilletje met een bijna onzichtbaar montuur en een kleurig sjaaltje om haar ranke nek. Maar goed, dat uiterlijk zal vast volledig los gestaan hebben van de reden waarom mijn vader haar liefdevol nodigde aan zijn tafel, onze tafel dus, een langgerekt felgroen geschilderd vehikel in een even zo langgerekte keuken, een pijpenla met groene tegels tegen de muren en een fornuis waarachter je de kont niet keren kon, behalve dan juf X, met haar jaloersmakende figuurtje, waarmee ze door de keuken schrijnde alsof ze over eieren liep. En natuurlijk at ze gewoon met de pot mee, hoewel er dingen waren die ze niet mocht eten om redenen die wij niet kenden in ons dorp, aanstellerig gedrag, dat ook mijn vader, het Hoofd der school, er maar niet uit kreeg, waardoor ze ten lange leste, vooral onder druk van het machtige schoolbestuur, voorgezeten door een lijvige varkensboer met een onwrikbaar geloof in de Allerhoogste en gezegend met negen stevige dochters en een fabelachtig zakeninstinct, de laan werd uitgestuurd, terug naar haar eigen deftige dorp waar mensen het zich klaarblijkelijk konden veroorloven kieskeurig te zijn.

Maar goed, net zoals we nu nog altijd de vruchten plukken van Napoleons overheersing en zelfs die van de Romeinen, had ook juf X iets van beschaving achtergelaten in ons gezin. Zo kocht mijn moeder kort daarna een pot sandwichspread en verschoof de warme maaltijd naar de klok van vijf. Natuurlijk is niet gezegd dat dat allemaal gebeurde dankzij juffrouw X maar feit is dat na haar vertrek onze wereld, zij het uiterst langzaam, steeds een beetje meer ontsloten werd. Niet dat we daarvoor een soort van halve wilden waren, nee dat zeker niet. Dat hield vooral verband met de positie van mijn vader in het dorp die als hoofdmeester en als ouderling in de kerk een soort van subtopnotabel was, een enigszins invloedrijke positie, vlak onder de top die van oudsher werd gevormd door de burgemeester, dokter en notaris. Een positie die deuren opende, zij het nog altijd in het dorp, die voor de gewone man gesloten bleven.

Overigens stond die voorzitter, met zijn naar varkensstront riekende wagen, waarin alleen al in de kofferbak voldoende ruimte was voor een stuk of vier kinderen, eenmaal per jaar voor het Hoofdenhuis te toeteren -kom ga met ons en doe als wij- helemaal gereed om naar Kesteren te trekken, de poorten in van een grote zaal waar tal van subtopnotabelen uit de regio een dag lang echt man konden zijn, de onmisbare hoekstenen onder de hoeksteen van onze samenleving; hun over het algemeen stevig uit de kluiten gewassen gezinnen. De voorzitter had zijn vette haar in spaghetti-achtige slierten over zijn kale knar gekamd, een wormachtig stropdasje bungelde hulpeloos op zijn bolle buik. Een colbert, in plaats van zijn immer groezelige stofjas, inclusief een fikse lading hoofdhuidconfetti op de vierkante schouders, onderstreepte de feestelijke gewichtigheid van deze op voorhand prachtige dag. Ook mijn vader ging voor netjes, mannelijk toch wel, hij rook een beetje naar het hout van een kerkbank. Enigszins gespannen en met frisse tegenzin zei hij zijn gezin gedag om vervolgens richting auto te stappen, onzeker als een lam dat hulpeloos ter slachting wordt geleid.

Eenmaal thuis, het was al avond, was er van een lam echter geen sprake meer; papa was een man geworden die zelfs vergat te vragen of er iemand had gebeld. En zo baldadig als wat, aangewakkerd door het testosteron dat een dag lang door de immense Kesterense zalencomplex had gegierd, de ruimte waar menig trouwdag feestelijk werd afgesloten, maar dan wel zonder muziek en dans omdat de dominee het in dat geval verrekte de zegen over het kersverse paar uit te storten, kwamen de verhalen. Stoere verhalen gevoed door het oergenot een dag lang bevestigd te worden in je mannelijkheid. Een soort van volkse mannelijkheid die ik als kleine jongen zo heimelijk bewonderende en die nog een paar dagen bleef hangen om dan vervolgens te verdwijnen tot het volgende mannen event ergens in een grote Betuwse zaal waar het immer rook naar het buffet, de geur van het rijke Betuwse bestaan, dat prachtige land van melk en honing.

Pin mij er overigens niet op vast dat alles uit bovenstaand verhaal volledig strookt met de werkelijkheid. Zelf steek ik er in ieder geval de handen niet voor in het vuur. Wat ik er echter mee wil vertellen is dat alles verandert in het leven. Vaak is dat fijn en soms ook niet. Het is niet anders. We hebben het ermee te doen.