Handdrukken

Tientallen handen had Jan geschud. Hij voelde ze nog steeds. De meesten waren al jaren in ruste. Maar ze waren nog altijd hard en knokig. Hij herkende ze van vroeger. Aan de keukentafel. Klauwachtig rond een koffiemok gevouwen waarop logo’s stonden van het veevoederbedrijf, Holsteinkoeien, het KI station of het loonwerkersbedrijf dat ‘s zomers het kuilgras binnenhaalde. Ze hadden geknokt, gebeden, als vuist op de tafel geslagen en uiteindelijk hadden ze verloren. Maar ze weigerden zich erbij neer te legen, die handen, de strijd was erin getrokken, zoals het weer in de muren van de oude boerderij. Het waren handen van mannen die geen baan uitoefenden, maar een roeping hadden vervuld. Een roeping uit een ver verleden waaraan ze instinctief gehoor hadden gegeven. Een agrarisch plichtsbesef dat als een golf door de generaties was gerold en die bij hen was stukgeslagen op de oevers van een nieuwe realiteit.

Met de beelden van die handen kwamen de geuren. Het vettige van melk en koeien, het doordringende zuur van kuilgras. De geur die ook het zaaltje had gevuld, aangevuld met het kruidige van Old Spice, het mottige van de pakken die ooit hadden gepast, maar die nu slobberend om de krimpende lijven hingen. Het pak uit de kast, jarenlang alleen tevoorschijn gehaald voor trouw, maar tegenwoordig steeds vaker voor rouw. Het pak dat om zijn vaders lichaam voor altijd aan de aarde was toevertrouwd.

Jan stuurde zijn auto stapvoets door het dorp. Hij verlangde naar herinneringen vol sentiment. Hooibouw in het gouden licht van de ondergaande zon, met zijn vader ontbijten na melkenstijd, koffie met gekookte verse melk, het vee dat in de namiddag in een schommelende stoet de stal opzocht om verlost te worden van hun melk. Het ritme van het boerenleven. De waarheid was echter dat die herinneringen er niet waren. Nou ja, ze waren er wel, maar hij had er nooit van genoten. Het was de afhankelijkheid waar hij niet mee om kon gaan. Een droge zomer, een natte winter, vorst in april. Weer nieuwe regels vanuit Den Haag, vanuit Brussel. Zijn vader en zijn kornuiten, ze hadden gemopperd, gescholden, maar ze hadden er op een bepaalde manier ook van genoten. Ze waren trots op hun agrarische anarchie. Ze werkten zich bij tijd en wijle halfdood. Maar ze leefden niet in een mal van negen tot vijf. Ze voelden een vrijheid die Jan nooit had weten te vinden.

De straten glinsterden van de nevel die al dagenlang de zon tegenhield. De winkel waar zijn moeder eenmaal per week de boodschappen deed, was een woonhuis geworden. Bij de cafetaria stond nog altijd dezelfde fiets. Binnen zat de nostalgie haar steeds verder afbrokkelende weerstand te voeden met dood geslagen bier.

Waar vroeger het dorp stopte en de polder begon, was disbalans ontstaan. Niet langer een symmetrisch patroon van polder, rechte weg, polder, maar polder, verbrede weg, woonwijk. Wanneer Jan naar links keek, leek alles onveranderd. Boven de weilanden hing de somberheid waarvoor hij was gevlucht. Rechts naast hem een nieuwe wereld waarin straatnamen verwezen naar de herkomst van het land.

Vroeger slokte het duister hem op, wanneer hij zaterdagnacht op dit punt het dorp uit fietste. Het bier voedde zijn verzet tegen de vanzelfsprekendheid die het leven van zijn voorouders had gestuurd. De erfenis van zeker 200 jaar ploeteren drukte bijna ondraaglijk op zijn schouders.

Op een dag had hij het verkocht, het recht van de eerstgeborene. De mannen in pak hadden hem voorgehouden dat dit het beste moment was. Natuurlijk kon hij weigeren, maar de vooruitgang was niet te stoppen. En die vroeg soms ook offers van het individu. Nooit had hij de kracht gevonden zijn handen tot een vuist te ballen. In plaats daarvan stak hij hem uit. Een bezegelende handdruk die voelde als een Judaskus. De opbrengst was: een toekomst zonder zorgen en een huis waar zijn vader weigerde over de vloer te komen.

Na de verkoop kwam het zand, metershoog naast de boerderij om de bodem te zetten voor de ontsluitingsweg. In de weilanden achter het huis werden palen in de grond geslagen, wekenlang. Soms drukten nieuwe bewoners hun gezicht door het bouwhek dat om de boerderij was geplaatst. Ze belden met de projectontwikkelaar die hen verzekerde dat ze zich geen zorgen hoefden te maken over vernieuwde agrarische activiteit. De vader mocht gewoon in de boerderij blijven wonen, als een Indiaan in een reservaat. Het vee verdween, voor de machines kreeg Jan een mooie prijs.

Jan parkeerde zijn auto op het erf, op de betonplaat waarop een paar jaar geleden nog kuilgras had gelegen. De gaten op het erf die zijn vader vroeger regelmatig opvulde met een paar scheppen gebroken puin, stonden vol met water. Jan keek uit over het bouwterrein. Langs modderige bouwwegen verrezen huizen in een landelijke stijl. Hij draaide zich om, keek uit over de polder en heel even leek het alsof alles nog hetzelfde was. Vlak boven de horizon scheurde de hemel een klein beetje open. In het gouden licht zag hij vaag de contouren van de stad. Daartussenin de weilanden die tegenwoordig maar aan een boer toebehoorden.

Op de deel was het kouder dan buiten. Heel vaag rook hij het vee dat hier ooit dicht opeengepakt, met de hals vast aan een ketting, de winter had doorgebracht. Op de grijze, van optrekkend vocht afbrokkelende muren, had opspattende stront een grillig patroon achtergelaten. Midden op de deel stond de trekker waarmee zijn vader tot voor kort de boodschappen in het dorp had gedaan.

Jan beklom een wankele trap naar de hooizolder. Er lagen nog tientallen pakjes verschimmeld hooi. Hij draaide een pakje om, ging erop zitten en keek naar de balken in die het dak al 200 jaar droegen. Die veel meer konden dragen dan enkel een dak.
Pas nu voelde hij ook het verwijt dat in de handdrukken had gelegen.