Het waakteam

De schoonmoeder van Henk ging dood. Dat was slechts een kwestie van tijd. Maar volgens de dokters zou ze niet heel zwaar hoeven te lijden.
‘Vergelijk haar lichaam maar met een machine, en die is op. Versleten na jarenlange arbeid.’
De vrouw van Henk, Ina, maakte een schema dat bestond uit zogenaamde waakdiensten. Het was voor haar namelijk een onverteerbaar idee dat haar moeder alleen het hoekje om zou gaan. Helaas was de bron waaruit Ina putten kon om het schema te vullen behoorlijk klein. Zo had Ina slechts een zus. En die woonde ook nog eens helemaal in Groningen. Over de telefoon vertelde zus met breekbare stem dat ze graag had komen helpen, maar dat ze mentaal gezien niet tot het rijden met de auto in staat was. Ze had rust nodig en een pilletje onder de tong. Zeker nu alle vaste grond onder haar voet dreigde te verschuiven. Ze beloofde dagelijks een kaarsje te zullen branden.

Na een week sprokkelen beschikte Ina toch over een ploegje mensen dat de schoonmoeder bij toerbeurt 24 uur per dag zou gaan vergezellen. Een klein, maar dapper gezelschap. Er was een oud mevrouwtje van de kerk, die zo af en toe de schoonmoeder bezocht voor een bezoekje met een Boodschap, Harry, de enige broer van Henk die al jarenlang thuis achter de geraniums zat te verpieteren en wel toe was aan een verzetje, een vrijwilliger van een welzijnsstichting die kwistig strooide met handige tips voor een gedegen rouwproces en die bij het niezen steeds een beetje urine verloor en natuurlijk Ina en Henk waarvan de laatste zich voortdurend beklaagde dat het nog weken duren kon voordat het mens hemelen ging en dat dat heel beroerd was, zeker nu het eindelijk lente werd en Henk er niet aan denken moest naast een bed op de dood te gaan zitten wachten.
‘Ten eerste is mijn moeder geen mens, maar de liefste vrouw in mijn leven (Ina schoot vol, herpakte zich en praatte verder). En ten tweede: je bedoelt met de lente komt; ik wil fietsen. Nou, vergeet het maar! We hebben ons in het verleden al veel te vaak moeten schikken naar die fiets van jou.’
Dat deed Ina steeds vaker de afgelopen tijd; praten in de we-vorm. Dat sloeg niet op Ina en Henk, nee, het sloeg op Ina en haar moeder. Alsof ze de banden met haar moeder nog eenmaal strak wilde aantrekken. Als een duo-parachutesprong uit het vliegtuig des levens, samen, de eeuwigheid in.

Op een zaterdagmiddag eind februari begon het waakproces. Dat was meteen ook Henk zijn eerste beurt, een dubbele shift omdat de anderen elders verplichtingen droegen. In de ochtend had Ina een startoverleg gepland. De nakende dood van de oude vrouw had de mensen uit het waakteam van een fikse berg energie voorzien. De tips en goede bedoelingen waren niet van de lucht en Ina zei, met breekbare stem, dat we dit nooit zouden vergeten. Nooit. Daarna aten ze soep en broodjes wat Ina ook al heel fijn vond. En het vrouwtje van de kerk zei met plechtige stem: ‘we vieren het leven aan de oevers van de dood’.

En nu zat hij naast het bed. Wegdommelend bij de reutelende ademhaling van de vrouw met wie hij eigenlijk nooit iets had gedeeld. Ruim 35 jaar geleden was hem een plekje tussen Ina en haar moeder gegund. Een privilege waaraan voorwaarden verbonden waren. Dat had Henk nooit zo ervaren, maar nu hij hier zo zat, verveeld wachtend op een dood waarvan niemand wist wanneer die komen zou, zag hij de zaken scherper dan ooit. Neem nou zijn fiets. Een goedkoop, piepend barrel, omdat Ina het zonde vond daar een hoop geld aan uit te geven. Geld dat ze liever besteedde aan een bootreisje langs de Rijn dat ze al zeker 20 jaar lang gedrieën maakten.

Henk keek verlangend uit het raam. Over de weilanden die helgroen oplichtten in de beloftevolle voorjaarzon. Aan de buigende toppen van de populieren te zien, even verderop aan het kanaal waarlangs een prachtig fietspad liep, stond er een flinke bries. In ieder geval stevig genoeg om het hoofd eens flink te luchten, de bedompte ergernis uit de kop te rossen en ruimte vrij te maken voor de dromen die Henk zo heimelijk koesterde, maar waarvan hij wist dat hij ze onmogelijk zou kunnen vervullen. Het gekke daarbij was dat het niet eens zulke buitensporige dromen waren. Henk verlangde niet naar grote reizen, dikke auto’s of een ordinaire vrouw. Nee, hij wilde er gewoon heel regelmatig met een fatsoenlijke fiets op uit zonder dat een vrouw zich bij thuiskomst urenlang beklaagde over het simpele feit dat hij ook een leven had.

Op de ademhaling van zijn schoonmoeder en het tikken van de pendule op de schoorsteenmantel na, was het volkomen stil in de woning waarin het mens haar hele leven had gewoond. Ooit stond het huisje helemaal los van het dorp in de weilanden, maar het dorp was er naar toe geslopen en weldra zou het dorp het huis verslinden en zou het worden opgeslokt in een wijk waarvan de straten namen droegen die refereerden aan de weilanden waarop ze waren neergelegd. Henk keek uit het grote raam. Af en toe kwam er een groepje wielrenners voorbij. Hij keek ze na totdat ze werden opgenomen in het gouden licht van de laaghangende zon. Henk vermoedde een complot. Met zijn vrouw Ina als drijvende kracht. Een samenzwering, waaraan zelfs de dood zijn medewerking had toegezegd, met als doel Henk voorgoed van zijn grote liefde te scheiden.

Verveeld zat Henk de uren uit. Af en toe schoot hij overeind, stapte richting het raam en keek de renners na die hij op onverklaarbare wijze aan had voelen komen. Hij voelde zich tekort gedaan, buitengesloten, maar toch aan boord gehouden omdat hij zo handig was. Een extra stel handjes. Hij rommelde wat met zijn telefoon in ongeduldige afwachting van de livestream van de Omloop het Nieuwsblad, het officiële begin van de lente, een koers die hij veel liever vanuit een rustige zetel, met een fles bier binnen handbereik, had bekeken. Ondanks zijn verlangen naar de koers twijfelde hij of hij zou kijken. Stel je eens voor dat zijn schoonmoeder er zomaar opeens, in volle finale, tussenuit zou knijpen? Wat zou hij dan tegen Ina vertellen? Dat het snel en pijnloos was gegaan? Dat ze op de rand van leven en dood haar liefde aan Ina had betuigd? Of zou hij eerlijk zijn, met alle gevolgen van dien, omdat hij zijn verdere bestaan niet wilde laten kleuren door een pijnlijk schuldgevoel?

Hoe dan ook. Henk wist zich in eerste instantie te beheersen. Vol wroeging keek hij naar het behang waarvan het patroon hem deed denken aan van die heerlijk hoge Vlaamse luchten. Waarom zat hij, juist op de dag dat het leven weer begon, in een naar vocht en ouderdom riekend huis de dood af te wachten? Stik er maar in, mompelde Henk, onwillekeurig luisterde hij even naar de onregelmatige ademhaling vanuit het bed, en hij dook terug in zijn telefoon, terug in de koers die hem elk jaar zo ondefinieerbaar gelukkig maakte, maar tegelijkertijd ook zo gefrustreerd, omdat het touw waarmee hij aan Ina en haar moeder was gebonden net te kort was om het geluk op te pakken. Het spartelde voor zijn voeten. Verleidelijk en onbereikbaar. Sterker, het lachte hem uit.

Ondanks als die ingewikkelde gedachten werd Henk al snel de koers ingezogen. De magie van een op drift rakend wielerpeloton in een subtiel ontluikend voorjaarsdecor deed hem al het andere vergeten. Zelfs dat hij Henk was, een goedaardige sukkelaar die enkel leefde voor een ander, lid van het waakteam bovendien, belast met een zware taak die hij helemaal vergat. Geen wonder dat hij zich helemaal een hoedje schrok toen er zomaar opeens een stem klonk vanuit het bed:
‘Koers?’

Terwijl Henk zijn uit zijn handen gevallen telefoon opraapte, onderwijl om zich heen kijkend in de stellige overtuiging een geest te ontwaren, sprak de stem verder, breekbaar maar buitengewoon vastberaden.
‘Zit je nou helemaal in je eentje naar de koers te kijken, Henk? Gun je jouw arme terminale schoonmoeder geen pleziertjes meer?’
Dat laatste zei ze op spottende toon. Waarmee ze indirect de vloer aanveegde met Ina en haar overspannen waakteam.
‘Kom, zet de televisie aan! En op de Belg alstublieft, je schoonvader wilde niet anders’.
Ze kwam moeizaam overeind, schikte een extra kussen in haar rug en moedigde Henk nogmaals aan de televisie aan te zetten. Die deed bijna machinaal wat hem was opgedragen, peinzend over de vraag of hij dan toch in slaap gedommeld was.

Ze keken nu samen. Nou ja, samen; de schoonmoeder ging op in de koers. Ze bleek er kijk op te hebben. Hartstochtelijk moedigde ze de renners aan. Henk daarentegen had zijn blik richting het scherm gericht, maar veel meer dan een waas zag hij er niet van. Zijn hersens hadden het eenvoudigweg te druk om deze bizarre omwenteling der zaken te kunnen verwerken. Nooit had hij ook maar een spoortje liefde voor de koers bij zijn schoonmoeder weten te ontwaren. Daarbij peinsde hij zich suf op de vraag wat hij nu eigenlijk van zijn schoonvader wist. Zeker, hij wist dat hij was verongelukt. Maar hoe en waar? Hij had werkelijk geen idee. Toen ze jong waren had hij het onderwerp weleens voorzichtig aangesneden. Maar steeds klapte Ina dicht als een oester. Na verloop van de tijd had hij geaccepteerd dat ieder leven zo zijn mysteries kent.

De koers was gedaan. Op het podium stond een jonge Deense renner met blozende wangen met de bloemen te zwaaien.
‘Hij reed slim’ zei de schoonmoeder en ze liet zich weer achterover in de kussens zakken.
Henks hoofd draaide op volle toeren. Tientallen vragen buitelden over elkaar.
‘Morgen Kuurne-Brussel-Kuurne’, zei de schoonmoeder opeens. ‘Wie staat er dan eigenlijk op dat rooster van Ina?’
‘De welzijnsmevrouw’ antwoordde Henk.
‘Dat mens ruikt een beetje’ zei de schoonmoeder. ‘En ze doet alsof ik al dood ben. Waarom kom jij niet gewoon, kijken we weer samen naar de koers.’
Even later plaatste Henk een berichtje in de groepsapp. ‘Mama en ik hebben het goed, een hoop te bespreken, morgen doe ik weer een dubbele dienst’. De welzijnsmevrouw stuurde een hartje, Ina een vraagteken en de mevrouw van de kerk een stemmig gedicht. Harry had geen WhatsApp.

Toen Henk de volgende dag Ina afloste bij haar moeder, was ze opvallend energiek. Ze had er in weken niet zo goed uitgezien. Henk knipte de televisie aan. Het geluid van helikoptergewiek vermengd met het Vlaamse commentaar, bezorgde Henk kippenvel en vlinders in zijn buik. Ondanks dat heerlijke gevoel worstelde hij nog altijd met tal van vragen. De avond daarvoor had Ina hem argwanend aan de tand gevoeld. De sfeer was er duidelijk niet naar om een boom over het verleden op te zetten. De koers op televisie verliep ondertussen in een vast patroon. Er werd gedemarreerd, de vroege vlucht plukte de nodige publiciteit en de koers rolde langzaam in haar beslissende plooi. Een heerlijk moment voor een middagdutje of een beetje rommelen in het huis. De schoonmoeder echter vroeg Henk een envelop te pakken dat op de bovenste plank van het eikenhouten kastje lag waarop de televisie stond.
‘Maak maar open!’ zei de schoonmoeder. Ze klonk heel ongeduldig.
Henk deed wat hem was gezegd en opende de envelop.
‘Kom, haal het er maar uit!’ er klonk nog meer ongeduld in haar stem.
Op de televisie dokkerden de renners over een weg van betonplaten die als een streep door het nog kale landschap trok.

De foto’s uit de envelop plakten een beetje aan elkaar. Heel behoedzaam trok Henk ze van elkaar los. Op de eerste foto zag Henk een man met een zongebruind gelaat. Hij lachte zijn witte tanden bloot. Een wollen trui om zijn ranke schouders. Sommige foto’s waren zwart-wit. Anderen hadden kleur. Henk gokte dat ze ergens begin jaren ’70 waren genomen. Een andere foto toonde de man op een podium. Naast hem stonden twee kleine meisjes, waarvan de een, waarin hij heel in de verte Ina herkende, de benen van de man omklemde. Met zijn rechterhand hief hij een indrukwekkend grote zegetuil richting een stralend blauwe hemel.
‘Dat is nou jouw schoonvader’ lichtte de schoonmoeder toe wat Henk eigenlijk wel wist.
‘Een geweldig lieve man, en een geweldig goed coureur, maar op een dag, tijdens een training, werd hij van de weg gereden. Hij was op slag dood. Begrijp je waarom Ina jou liever niet ziet fietsen? Soms wanneer de meiden op bed lagen, keek ik naar deze foto’s. Ze gaven mij hetzelfde gevoel als gisteren toen ik voor het eerst sinds jaren naar de koers keek’.

In de weken die volgden nam Henk het leeuwendeel van de waakdiensten voor zijn rekening. Omdat de dood bijzonder lang op zich liet wachten, viel het zo enthousiast gestarte waakteam langzaam uiteen. Ondertussen genoten Henk en de schoonmoeder samen van alle voorjaarskoersen. In de luwte van het koersvuurwerk vertelde de schoonmoeder over vroeger. Toen de Nederlander Nikki Terpstra de Ronde van Vlaanderen won, dronken ze samen een trappist. Op dagen dat er geen koers op televisie was, ging Henk lekker fietsen tijdens zijn waakdienst. Daaraan verbond de schoonmoeder wel een belangrijke voorwaarde: Henk moest Ina vertellen wat er in de afgelopen weken was gebeurd.
‘Kom voor jezelf op, Henk, dat verdien je!’

De tijd vestreek. Het peloton maakte zich op voor de Tour de France. De schoonmoeder was er nog altijd. Volgens de huisarts, die even daarvoor de schoonmoeder had bezocht, was dat een wonder.
Ina, Henk en de schoonmoeder zaten aan de keukentafel. Door het openstaande raam dreef de geur van gemaaid gras de woning in. Aan de muur hing de herinnering aan de schoonvader verdeeld over een stuk of 10 zilverkleurige fotolijstjes. De foto van de podiumceremonie hing het meest centraal. Henk droeg wielerkleding. Zijn fiets stond onder het raam, klaar voor vertrek.
Het was een fonkelnieuw karretje.