Nightswimming

Bort vroeg: Wil jij een literaire Americana bijdrage leveren aan een geheim concert in Kolderveen.
En toen was ik natuurlijk zo vereerd dat ik meteen akkoord ging. Zonder mij af te vragen of ik dat wel zou kunnen. Het punt was: ik heb niet zo heel veel verstand van muziek. Maar goed, het was winter toen Bort mij vroeg; voldoende tijd dus om mij te verdiepen in deze specifieke muziekstroom.
Daar kwam echter maar bitter weinig van terecht.

Dat belemmert mij niet om hier gewoon te staan. Dat komt vooral omdat ik in de afgelopen tijd heb ontdekt dat verstand hebben van muziek eigenlijk niet ter zake doet.
Muziek wordt namelijk niet gemaakt om het in hokjes te stoppen en te analyseren. Muziek wordt gemaakt om iets los te maken. Een gevoel waardoor je de ene keer wordt overspoeld, als een vloed waarin je bijna verdrinkt, en waardoor je een andere keer subtiel in je ziel wordt geprikt. En pas na een paar keer luisteren besef je wat het liedje met je doet.

Maar los van de manier waarop: elke keer dat muziek iets met mij doet, is dat omdat er heel diep van binnen iets wordt aangeraakt.

Het is lastig te zeggen wat dat ‘iets’ dan precies is. Ik denk dat het om verlangens gaat.
Verlangens veranderen.
De achterliggende wensen worden vervuld of verliezen relevantie. En toch, steeds wanneer ik een liedje hoor van vroeger, een liedje dat toen een bepaald verlangen raakte, voel ik dat verlangen opnieuw.
Een tijdmachine , een doos op zolder tjokvol herinneringen die zich opent bij de eerste tonen.
Dat is de kracht van muziek.

Ik herinner mij de eerste keer dat er door een liedje echt iets in mij werd losgemaakt. Het was een basaal verlangen. Een verlangen naar liefde en intimiteit. Het was thuis bij een vriendje. Zijn moeder hield van BZN. Op de televisie zongen Jan Keizer en Carola Smith in perfecte twee stemmigheid, op een strand omgeven door kamelen en mannen met een gitaar, hun zijdezachte Amore.
Jan en Carola bezongen een liefde die ik tot dan toe niet kende. Een vleselijke liefde waarvoor ik de woorden nog niet had, maar die door Jan en Carola tot leven was gewekt. Een liefde waarnaar ik vanaf toen heel sterk verlangde.

Langzaam maar zeker werd het door Jan en Carola aangestipte verlangen concreet. De liefde werd zelfs een beetje tastbaar. Met mijn neus diep weggestoken in met haarlak opgerichte meisjeskuiven snoof ik, schuifelend op zoete muziek, van de liefde die ik inmiddels op onhandige wijze was beginnen te verkennen.

Wanneer het om muziek gaat, hebben mensen nogal eens de neiging om een beetje eenkennig te zijn. Ze stoppen zichzelf in een bepaald hokje en betitelen andere genres als fout. Ik heb daar nooit aan meegedaan. Dat geeft mij de vrijheid om zonder schaamte te vertellen over mijn liefde voor Lionel Richie en dan specifiek zijn duet met Diana Ross, My endless love, het lied waarmee in die tijd, begin jaren ’90, zo ongeveer elk feestje schuifelend beëindigd werd. Total eclips of the Heart van Bonnie Tyler en It must have been love van Roxette waren trouwens ook buitengewoon populair wanneer het meubilair terzijde werd geschoven, de ouders met draaiende motor al voor het huis, ongeduldig wachtend op het kroost, dat daarbinnen, onhandig als Bambi op het ijs, de eerste stappen plaatste op het verraderlijke liefdespad.

Helaas, die verliefde onschuld was in een klap voorbij toen mijn zusje overleed. Een schokgolf die ook mijn diepste verlangens kleurde. Ze werden abstracter dan ze tot dan toe waren geweest. Wanneer ik muziek terug luister uit die tijd, veel Pearl Jam en Nirvana, maar ook Laura Pausini’s La Solitudine, voel ik de woede en het verdriet. Maar ik voel ook het verlangen naar troost. En naar vrijheid. Een verlangen dat zo sterk was dat het pijn deed. Temeer omdat ik dat verlangen moest onderdrukken, omdat ik vond dat ik er voor mijn ouders moest zijn. Maar er was nog iets, en misschien ben ik mij daar nu pas van bewust. In die tijd ontwikkelde ik een enorm groot verlangen naar schoonheid.
Die schoonheid vond ik in het nummer Nightswimming van REM.
In gedachten zag en zie ik een roerloos water. Het is omgeven door een gesloten bos. The moon is low tonight en spiegelt vervormd door de bomen op het zwarte water. Het water waarin ik telkens weer verdwijn. Gewichtloos. Voor even bevrijd.

Maar er was nog iets dat mij zo raakte in dit prachtige lied. Er was niet alleen sprake van een verlangen, maar ook van spijt. Micheal Stipe zong dat het bijna september was. De herinnering aan de lichtheid van de zomer, aan een tijd vol onschuld. Daarvoor in de plaats kwam de schaamte.
They cannot see me naked.
These things, they go away.
Een zwaar gevoel in mijn buik. Een verpletterende heimwee naar de jeugd die in een klap versteend werd. Een herinnering. Geen verlangen meer naar de toekomst, maar naar een afgesloten verleden. Weemoed.

Een afgesloten verleden. Is weemoed daarmee een verlangen waarmee je helemaal niets kunt? Behalve dan jezelf er in te wentelen. Treurend over de kansen die je hebt laten lopen, de keuzes die je niet durfde te maken en al datgene dat je door de vingers is geglipt?

Of is dat een te negatieve benadering?

Ik denk het wel. Weemoed kan namelijk ook prachtig zijn. Misschien is het zelfs essentieel. Het kleurt veel verhalen en muziek. Misschien wel dankzij het contrast dat ermee wordt blootgelegd. Het contrast dat duidelijk maakt dat het leven soms vreselijk kan zijn maar eenmaal opgekrabbeld ook weer fantastisch. Dat is niet alleen prachtig, het is ook troostrijk.

Ik denk aan het liedje Twee mannen zo stil van Frank Boeijen en Stef Bos
Wat is verdriet?
Is het een vijand of een vriend?
Met de jaren is het misschien wel een vriend geworden. Temeer omdat ik de woorden heb weten te vinden die passen bij die complexe vriendschap.

Woorden, uitingen die onze levens verrijken.

Maar weemoed is meer dan alleen verdriet. Ik denk aan het moment waarop mijn vrouw 7 jaar na de geboorte van onze tot dan toe jongste zoon opnieuw zwanger bleek te zijn. Dat was heel goed nieuws, maar het stemde mij ook weemoedig omdat er hoe dan ook een tijdperk zou worden afgesloten. Een tijdperk dat vreselijk fijn was geweest. Een gemengd gevoel. Soms ook een bitterzachte pijn.

Het is die bitterzachte pijn die ik ook voel wanneer ik muziek zoals die van The Yearlings beluister. Muziek die door mijn dochters als prehistorisch wordt aangeduid.
Muziek die tot op zekere hoogte uitnodigt tot een apathisch wentelen in het verleden.
Maar ook muziek die duidelijk maakt dat de kansen die je hebt laten lopen, de keuzes die je niet durfde te maken en al datgene dat je door de vingers is geglipt ook weer de ingrediënten kunnen zijn van iets heel ergs moois.

In de muziek van de Yearlings komen het verlangen naar schoonheid en die heerlijke weemoed bijeen.

En daarom vind ik het prachtig.
Ook al heb ik er helemaal geen verstand van.