Robbie

Robbie woonde driehoog achter, wat feitelijk niet precies het geval was, maar wat wel de lading dekte van zijn habitat. In de flat stond hij bekend als de fietser. Dat was omdat hij zo af en toe met zijn racefiets naar het winkelcentrum reed.
‘Waarom fiets je nooit verder, Robbie?’ vroeg een vriendelijke buurvrouw op een dag.
Robbie wees op de overvolle weg, de beroete flats aan de overkant en het van afval verzadigde struikgewas.
‘Ik ben een man van de bergen’.
‘Maar waarom ga je dan niet naar de bergen, Robbie?’
‘Gaat u ooit op vakantie?’
De vrouw schudde haar hoofd.
‘Precies!’ Zei Robbie.

Eenmaal teruggekeerd uit het winkelcentrum, stommelde Robbie met zijn racefiets op zijn schouder richting de slaapkamer. Daar klemde hij de fiets in een bij de kringloop op de kop getikte hometrainer waarop hij elke avond precies twee uur fietste. Zijn vrouw lag op bed en keek televisie. Aan Robbie besteedde ze geen aandacht. Behalve wanneer ze zich beklaagde over de lucht die hij verspreidde. In dat geval kwam ze opzichtig zuchtig overeind en schoof ze een raampje op een kier. Daarna dook ze terug in het nest dat maar zelden werd verschoond. Aan de linkerkant sliep vrouwlief in een soort van hol, de rechterzijde van het bed opstuwend tot een hoogvlakte waarop Robbie droomde over de berglandschappen die hij nooit van zijn levensdagen te zien zou krijgen.

Aan de muur van de slaapkamer, recht voor zijn fiets, hing een foto van zo’n berglandschap. Een redelijk klassiek beeld: Besneeuwde toppen, bergweiden en een hut waarin mensen gedroogde kaas en een lichte wijnen nuttigen. Tenminste zo stelde Robbie zich dat voor; hij was er immers nooit geweest. En toch voelde het alsof hij daar hoorde. Gek gezegd: alsof hij in het verkeerde land geboren was. Hij fietste elke avond door dat land. Soms rook hij de geuren die hij zich voorstelde rondom de hut; haardvuur en koeienmest de koude berglucht langs zijn longen schuren. Dat hij dichterbij huis ook gewoon door een land van koeienpoep en houtvuur kon fietsen, kwam niet op in Robbies, door grote verlangens, afgestompte brein.

Er waren mensen die Robbie’s vrouw lui noemden. Zelf beweerde ze dat ze was uitgeput. Dat had vooral met het verleden te maken. Iets waar ze slecht over kon praten, zelfs niet met Robbie. Hoewel ze dat wel hadden geprobeerd. Het enige levende wezen dat ze echt vertrouwde was haar hond, een mosterdgeel vuilnisbakkie met een onregelmatige vacht die zij liefdevol Arthur had gedoopt.
’s Nachts sliep het mormel bij vrouwlief in de kuil. Voordat ze zich overgaf aan haar moeizame slaap, vertrouwde ze zacht sprekend haar angsten en zorgen toe aan de geduldige oortjes van het tevreden reutelende dier. Een soort van avondgebed dat Robbie bovenmatig irriteerde. De hond de kamer uit schoppen stond echter gelijk met scheiden. Of hij daar heel rouwig om zo zijn, was een vraag die Robbie niet durfde te stellen. Zijn leven was saai, maar wel heel overzichtelijk. Overdag rommelde hij wat in de buurt en ’s avonds keek hij twee uur lang met holle ogen naar het bergtafereel, de voeding voor zijn dromen.

Zo kabbelde het leven van de twee, of eigenlijk drie, verder en helemaal niets wees erop dat er ooit ook maar iets zou gaan veranderen. Robbie droomde over onbereikbare zaken en vrouwlief klaagde. Zo zou het altijd blijven. Zoals zo vaak werd daarbij volledig buiten de kracht van het toeval gerekend. In eerste instantie openbaarde dat toeval zich als een levens ontwrichtend drama. Eenmaal diep ademgehaald bleek het de nimmer verwachte wending te zijn.

Het gebeurde op een doorsnee dag die onopvallend naar zijn einde liep. Robbie sjokte met een zakje huisvuil richting de milieustraat, een wandelingetje dat hij bijna dagelijks maakte. Onderweg naar huis overdacht hij de maaltijd die hij zo dadelijk zou gaan bereiden. Een paar seconden later was hij alweer thuis. De centrale toegangsdeur van het flatgebouw stond wagenwijd open, tegengehouden door de gereedschapskist van een man in een blauwe overall die met rookmelders aan het rommelen was. Robbie besteeg de twee trappen zonder daarbij te hijgen en wandelde dan over de galerij richting de voordeur van zijn flat die tot zijn verbazing niet helemaal gesloten was. Eenmaal binnen riep zijn vrouw vanuit haar bed om een kopje thee wat Robbie in eerste instantie vergat te zetten, omdat hij in een foto werd gezogen. De foto stond in het midden van het wielertijdschrift dat voor hem op de tafel lag. Een afbeelding van vijf coureurs die de besneeuwde top van de hoogste berg in een grote wielerronde rondden. Robbie bekeek de tanige lijven, de ingevallen bekkies en de hemelsblauwe lucht en probeerde zich voor te stellen dat hij daar fietste. Het bezorgde hem een geluksgevoel waarmee hij maar heel beperkt mee uit de voeten kon. Vooral omdat het gevoel vele malen groter was dan de huiskamer, de flat of zelfs de hele stad. Het gevoel verdween toen zijn vrouw nogmaals riep en Robbie zuchtend de waterkoker vulde. Zie je wel, dacht hij. Zelfs wanneer ik voldoende geld heb om op reis te gaan, zou het niet kunnen. Ze houdt mij gevangen. De hometrainer is alles wat ik heb. Twee minuten later stond hij naast het bed dat heel sterk naar Arthur rook. Robbie zette het kopje op het nachtkastje, maakte aanstalten het hol te verlaten, maar bleef dan aan de grond genageld staan toen vrouwlief bijna terloops vroeg waar Arthur was.

Eerst had ze heel hard gegild. Daarna was Robbie de flat uitgerend. Hij passeerde de milieustraat, stak het grasveld over waar kinderen een potje voetbal speelden, keek wild om zich heen en riep met overslaande stem de naam van het dier dat hij diep van binnen haatte. Zo af en toe schoot hij volstrekt willekeurig een buurtbewoner aan. Of ze Arthur hadden gezien.
‘Wie?’
‘Ja, sorry, Arthur is een mosterdgeel hondje met behoorlijk korte pootjes’.

Na een uur trok hij huiswaarts. Vrouwlief zat voor het eerst in weken op de bank. Ze belde luid huilend met haar moeder. In eerste instantie hoorde Robbie het gejammer machteloos aan. Eenmaal legde hij zijn hand op haar vlezige schouder. Ze weerde zijn toenadering alsof het een vlieg was.
‘Ik kan niet leven zonder Arthur!’ klonk het door de flat. Zomaar opeens stapte Robbie op en beende resoluut richting de slaapkamer. Daar draaide hij zijn fiets los uit de standaard en zette koers richting de buitendeur terwijl hij riep dat alles goed zou komen.

Even later fietste hij door de straten van zijn wijk. In eerste instantie over wegen die hij vaker had bereden. Ondertussen riep hij Arthur! Arthur! Terwijl hij heel geconcentreerd om zich heen keek, speurend naar een mosterdgele vlek tussen het alweer verkleurende struikgewas. Na verloop van tijd echter verslapte zijn aandacht voor de zoekgeraakte hond. Robbie fietste steeds verder weg van zijn flat en verbaasde zich over de snelheid waarmee hij langs de steeds dunner wordende bebouwing stoof.

Al snel bereikte hij de rand van de stad. Vanaf een viaduct overzag hij het land dat voor hem lag. Heel in de verte zag hij de contouren van een andere stad. Daartussen was het leeg. Een ruimte die hem bijna de adem benam. Hij rolde naar beneden en volgde zonder plan de weg die kaarsrecht door de uitgestrekte weilanden sneed. Heel af en toe riep hij Arthur! Een kreet die feitelijk niet meer was dan een legitimatie voor deze fietstocht. Op een kruispunt van twee kaarsrechte wegen hield hij stil. Hij plaatste zijn fiets tegen een houten hek, piste in de sloot en nam de omgeving in zich op. De avond strekte zich kleurrijk uit over de weilanden. Overal om hem heen was leven. In de weilanden lagen koeien ontspannen te herkauwen, vanuit de sloten klonk gekwaak en in de hemel wemelde het van vogels die leken te vliegen zonder enig doel. Robbie dacht aan de flat, het bed en de foto en werd overvallen door gevoelens van geluk die hier door helemaal niets of niemand werden begrensd. Robbie stapte op en fietste verder. Het geluk dat hier, zo dichtbij, voor het grijpen lag, verwarde hem.

Robbie voelde zich verplicht om weer naar huis te gaan. Maar de gedachten aan de flat, aan het bed en de hometrainer weerhielden hem ervan terug te keren. Hield hij van zijn vrouw? Het was voor het eerst in jaren dat hij zichzelf de vraag durfde te stellen. En wat als het antwoord ontkennend was? Kon hij daar effectief iets mee doen? Ze zou het niet redden zonder hem. Helemaal wanneer hij haar straks zou moeten vertellen dat hij Arthur niet had weten te vinden. Maar hij zou het dier vinden. Dat nam hij zich voor . Het voornemen gaf hem weer nieuwe energie. Een richtpunt in zijn doelloze bestaan.

Robbie fietste verder. Hij genoot. Een verwarrend gevoel. Alsof hij de foto op de slaapkamer verraadde. Het werd donker. Een zilverblauw maanlicht veranderde de polder in een sprookjesland. Nu pas voelde Robbie dat hij honger had. Hij was helemaal alleen. De schreeuw van een nachtvogel zette al zijn zintuigen op scherp. Hij dacht aan zijn wanhopige vrouw. Miste hij haar? Niet de vrouw zoals ze geworden was, wist Robbie. Wie hij wel miste, was de vrouw op wie hij ooit verliefd werd. Lag het enkel aan haar dat het zo gelopen was? Had hij zich echt in haar verdiept? In haar angsten en verlangens? Het waren vragen die hij zich nooit had durven stellen, maar die nu, op de rand van de nacht, onbeheersbaar in Robbies brein naar boven borrelden. En hoe concreet was nu eigenlijk zijn verlangen naar de bergen? Of ontsloeg de onbereikbaarheid daarvan hem van de verantwoordelijkheid er in het hier en nu iets van te maken.

Ondertussen fietste hij steeds verder de polder in. Een flink eind van de weg zag Robbie een vervallen boerderij. Hij kneep in zijn remmen en tuurde over het erf. Wellicht was hier iemand die hem kon vertellen hoe hij zo snel mogelijk in de stad terug kon keren. Hij draalde kort, fietste het erf op, plaatste zijn fiets tegen de verweerde gevel en klopte op het raam. Hij hoorde enkel de geluiden van de nacht. Hij liep om het huis. Aan de achterzijde wapperde een gordijn door een kapot raam. Terug aan de voorkant gluurde hij langs kapotte gordijnen in een vrijwel lege kamer. Aan de schoorsteen mantel hing een schilderij. Het was een berglandschap, een redelijk klassiek beeld.

Jaren geleden fietsen ze hier samen. Twee zware fietsen, een schitterende dag. Bij elk boerderijtje minderden ze vaart en zeiden ze: stel je toch eens voor, ooit samen op zo’n mooi plekje. Ze mijmerden over de nieuwe kleuren op de verveloze kozijnen, misschien een paar dieren in de boomgaard achter op het erf. Kindjes waarvan de namen al waren bedacht.

Robbie flitste door de nacht. In gedachten oefende hij de woorden waarmee alles anders zou gaan worden. Hij dacht ook aan de oude sok waarin hij bijna voldoende geld bijeen gesprokkeld had om zijn droom te vervullen. Maar dat was nu verleden tijd. Vanaf nu zou hij werk maken van het hier en nu. Een nieuw bed. Leuke kleren voor zijn vrouw. Uit eten als er nog wat over was. En, nou ja, als het echt niet anders kon: een nieuwe hond.

De deur van zijn eigen flat stond nog altijd op een kier. Eenmaal binnen stuitte hij op de aanblik van een ruimte die in allerijl verlaten is. Eigenlijk wist hij het al, maar toen hij het matras op tilde, zag hij dat zijn sok verdwenen was. Wat hem meer verbaasde was de kale plek op de muur, zijn weggerukte droom.

Robbie dacht van alles. Toch bleef hij uiterst kalm. Hij besloot eerst maar eens te gaan slapen. Morgen ging hij fietsen, gewoon buiten, urenlang. Daarna zou hij wel verder zien.