Het kind (een zomeravondvertelling)

Hij plukte het kind ruw haar bedje uit, het bedje waaraan hij al ruim een uur om haar slaap had zitten bedelen, legde haar mopperend in de kinderwagen en liep toen, zonder iets tegen zijn vrouw te zeggen, de deur uit, weg uit die ellendige bakoven, dan maar liever lopen, lopen, lopen, net zo lang totdat dat kind eindelijk sliep.

Zijn ouwe moeder zei, laten we bidden voor koelte en hij zei, ja uit de koelkast graag, wat is dat nou voor een gezwets, we hebben deze ellende toch zelf veroorzaakt?!
Dat kan je zo niet zeggen, zei de moeder, zo groot zijn wij mensen niet, dat is ijdelheid, dat soort gepraat. Sommige zaken zijn niet aan ons. Leg liever dat kind op bed, daar heb je invloed op.
Maar ze wil niet slapen, ma.
Nee, natuurlijk slaapt dat kind niet als je er laat in de avond nog over het dorp mee loopt rond te sjouwen. Drink je bier op en ga naar huis. Hup!

Het was een doodnormale doordeweekse avond, maar het anders zo rustige dorp leek wel een camping aan de Mediterrane. Kinderen zwalkten jengelend over straat, voor de huizen, de ramen wijd open, happend naar het beetje frisse lucht (zo weinig dat het eerder een kwelling dan een weldaad was) dat vanaf de rivier het dorp kwam binnen gewaaid, hingen hun lamgeslagen, in niets verhullende kledij gestoken ouders. Ze zopen zich allemaal een stuk in de kraag en niemand maakte ook maar de minste aanstalten om naar bed te gaan. Het was alsof de hitte anarchistisch stemde. Een soort van fatalistisch verzet tegen het ritme van alledag. Het ritme van slapen, eten, werken en dat allemaal in de vakjes die daarvoor waren ingericht.

Het liep al tegen elven. Soms sliep het kind, dan ineens schoot het weer wakker, armpjes en beentjes strekkend alsof het schrok. Aan de hemel verschenen sterren, de straatverlichting schoot aan. De mensen op straat spraken op gedempte toon, meestal ging het over het weer. Op de tafeltjes die wankel voor de huizen stonden, werd glaswerk opzij geschoven, hier en daar rolde het een en ander rinkelend over de straat, om plaats te maken voor kaarsen waarvan het licht spookachtig over de gevels danste.
Toe nou, slaap nou toch, zeurde hij ondertussen maar door tegen het kind dat tussen het jengelen door toch nog zo nu en dan een lachje wist te produceren.
Hij zei: ja, je kan nou wel lachen, maar echt, je moet gaan slapen, alsjeblieft nou toch, ga toch slapen. Ga nou gewoon lekker slapen.
Ondertussen schudde hij de kinderwagen een beetje heen en weer, veel te hard natuurlijk, hij was zo langzamerhand op van de zenuwen, hoewel zijn vrouw had gezegd: maak je toch niet zo druk, ze valt altijd wel een keer in slaap, en anders maar niet.

Hij bewonderde haar, zijn vrouw, om haar rust en haar eeuwige relativeringsvermogen dat hem ook een bepaald evenwicht schonk. Behalve dan wanneer het warm was, dan raakte hij in paniek. Niet eens zozeer vanwege het fysieke ongemak, maar meer omdat hij de gevolgen ervan niet kon overzien. Hij zag de poolkappen smelten. Hij zag beelden van een onleefbare planeet, mensen op drift, vechtend om steeds minder voedsel. Hij zag een lange grauwe stoet, in lompen gehulde sloebers, en daartussen liep zij, het hoofd gebogen en de dag verwensend dat ze hier op aarde was gezet.

Ze lachte weer, het kind, een lach vol van onwetendheid, maar ergens in die lach dacht hij een glimp op te kunnen vangen van het mysterie van het leven. Misschien wel omdat ze dat nog maar zo kort geleden had ondergaan. Een ervaring die ze enkel kon delen met de meest primaire menselijke emoties. Niet dat hij daar nu zo concreet aan dacht, daar was geen ruimte voor in zijn door oververhitting geteisterde bovenkamer. Dat soort zaken deelde hij op een bijna manische manier op de momenten dat alles op rolletjes liep.

Een paar uur later was hij zo dronken als hij in jaren niet was geweest. Wat er in de uren daarvoor allemaal was gebeurd, wist hij niet meer. De nacht ging gehuld in een diepe mist waarin niets of niemand concrete vormen had. Zelfs de tijd, die normaal gesproken tik, tik, vooruit liep, leek te zijn ontregeld. Het ene moment was hij een puber met een benevelde kop vol dromen. Dan weer een vader met een lege kinderwagen waarop hij dacht te kunnen steunen alsof het een rollator was. Even later lag hij languit op de straat, als een oude man, aan het einde zijner dagen.

Hij was in ieder geval bij de rivier geweest. Met het kind in zijn armen was hij de rivier een stukje ingelopen, net zover totdat het zwarte water tot aan zijn kuiten reikte. Het was koeler hier, hij rook de geur van brak water en een vuurtje dat een paar honderd meter verderop door een paar jonge gasten werd gestookt. Daarna was hij teruggegaan naar het dorp waar de mensen langzaam maar zeker toch hun bed opzochten.

Thuis sliep het kind rustig in haar bedje, ondanks de zinderende hitte die bijna tastbaar was. In de kamer daarnaast lag de moeder, klaarwakker, niet vanwege die hitte, maar omdat ze woedend was. Ruim na middernacht was ze erop uit getrokken, nadat ze talloze malen tevergeefs zijn nummer had gedraaid. Op het dorp was ze niet heel veel wijzer geworden. Het merendeel van de mensen lag in hun bed te zweten en uit de enkeling die de tijd negeerde, kwam louter onzin. Uiteindelijk was ze voor de zekerheid ook nog even langs de kroeg gewandeld; de Vergulde Aap waar Rinus, een lelijke vent met een pokdaliger rooie neus die op een aardbei leek al een eeuwigheid lang een kuil in de bar stond te hangen. De kroeg waar ze heel lang geleden haar eerste stappen in de wereld had gezet. Rinus zei:
Je komt voor het kind? Ha, dat kind! Nou, dat ligt heerlijk te slapen, in de wijnkelder, weet je het is er heerlijk koel, ik heb er voor de zekerheid maar een dekentje overheen gevouwen.

Toen ze met het kind de houten trap op kwam gelopen, het kind opwarmend tegen haar lijf, zag ze haar man. Hij zat daar maar te kakelen als een oud wijf, een sigaret in zijn hand en een grote verzameling bierglazen voor zijn neus. Hij had het hoogste woord, maar niemand die er acht op sloeg.
Dat allemaal vond ze niet leuk, zeker niet, en de manier waarop hij die avond met het kind was omgesprongen, baarde haar zorgen. Maar toch, op de een of andere manier kon ze dat nog wel van hem verdragen. Ergens vond ze het misschien wel fijn dat hij eens lekker uit de band schoot, misschien omdat het wel eens goed voor hem kon zijn, dat hij eens flink de luiken open gooide voor een beetje frisse lucht in dat steeds zwaarmoediger wordende hoofd van hem.
Maar goed, voordat ze wegging, richting huis, het kind als een schat in haar armen, vroeg ze hem, terwijl ze haar best deed zo min mogelijk verwijt in haar stem te leggen:
Schat, waarom heb je niet even gebeld.
En hij zei: lieve schat, maak je toch altijd niet zo druk. Je ziet het leven zo zwaar. Kom erbij zitten en pak een biertje.
En daarna, tegen de mannen die hij normaal gesproken nooit zag staan, lelijke kerels die er pak hem beet zo’n 20 jaar geleden ook al zaten:
De vrouwtjes he, altijd maar druk maken over helemaal niets.
En de mannen lachten: haha, de vrouwtjes. Ondertussen kakelde hij alweer verder, over de wereld en over alles wat hij beter wist.