Het spookpeloton

Op een avond begon papa te vertellen. Hij vertelde over de renners die gewoon waren doorgefietst. Ze fietsten in de nacht door een onherbergzaam land. Overdag hielden ze zich verscholen in grotten en verlaten dorpen. Ze reden nergens heen, ze fietsten maar wat rond, in het diepste geheim, net zolang totdat ze weer tevoorschijn mochten komen.

De eerste verhalen verliepen wat hoekig, hij moest er een beetje inkomen, denk ik, maar ze werden steeds mooier en papa zat elke avond langer bij mijn bed, wat helemaal niet erg was, zei hij, alles is nu een beetje anders, zei hij, en misschien moeten we daar ook maar een beetje van leren genieten.

Papa veranderde. De eerste dagen dat hij thuis was, keek hij alleen maar op zijn telefoon. En telkens wanneer er weer iets nieuws te melden was, las hij dat voor, alsof hij een nieuwslezer was en het leek hem helemaal niets uit te maken dat mama en ik niet naar hem luisterden. De berichten namen niet af, maar papa stopte met voorlezen, misschien had mama er wat van gezegd, ik weet het niet.

Alleen wanneer hij met oma belde, oma die ik alleen maar via de telefoon mocht zien, somde hij alle berichten op die hij die dag had gehoord, alsof hij iets in te halen had. En ook oma leverde haar deel. En dan zeiden ze allebei: nou ja, we zien het wel, je kunt er toch niets zinnigs van zeggen allemaal.

In het begin moest papa nog nadenken over wat hij ging vertellen, maar steeds vaker begon hij gewoon. Misschien had hij er al over nagedacht, tijdens de dag, omdat hij toch niets te doen had, behalve dan op zijn telefoon de wereld in de gaten houden.

Meestal begon hij zijn verhaal met de mededeling dat de nieuwe nacht aanbrak. Hij deed zijn best dat heel mooi te vertellen. Hij vertelde niet gewoon dat het avond werd; hij vertelde dat de hemel een andere kleur kreeg, dat de zon achter de bergen zakte en dat langzaam maar zeker alles van kleur verschoot. Ik begreep niet altijd alles van wat hij vertelde, en ik weet ook niet of het altijd zijn eigen woorden waren die hij gebruikte of dat hij herhaalde wat hij ergens gelezen had, maar de grote lijn haalde ik er wel uit. Steeds vaker herkende ik de landschappen van onze vakanties. Het uitzicht bijvoorbeeld uit een huisje waar hij toen ook al zo enthousiast over was.

Het eerste verhaal begon in Nice. Papa vertelde dat de renners daar voor een wedstrijd naar toe waren gefietst. Hij vroeg of ik mij dat nog herinnerde, die zomer dat wij ook in Nice waren geweest.
Herinner je je nog hoe groot de boten daar waren, vroeg hij.
En hoe warm het daar was?
Ja, dat herinnerde ik mij nog.
Het zal nog wel even duren voordat we daar weer naar toe kunnen, zei hij, en dan keek hij treurig, niet echt verdrietig, maar treurig, zoals hij wel vaker keek de afgelopen tijd. Volgens papa was dat een soort van heimwee naar dingen die altijd zo gewoon waren geweest, maar nu niet meer en dan besef je maar al te goed hoe mooi dat eigenlijk was. Dat zei hij niet alleen tegen mij, in zijn verhalen, maar dat zei hij heel vaak, tegen oma, tegen mama en tegen zijn collega’s met wie hij elke dag zeker een half uur belde om het kleine beetje werk dat nog over was tenminste eerlijk te verdelen.

Maar goed, die renners, na die wedstrijd naar Nice waren ze gewoon doorgereden. Ze waren er doorheen geglipt zei papa. Niemand wist precies wie ze waren en waarom ze door waren gefietst. Waarschijnlijk hechten ze heel sterk aan hun vrijheid, zei papa.

Soms werden ze gesignaleerd. Wanneer ze ’s nachts een bijna verlaten bergdorp passeerden. Maar meer dan een schicht was het niet. Er werd heel veel over het groepje wielrenners gesproken, zei papa, de mensen die in de bergen woonden, noemden het een spookpeloton, maar ook in de rest van de wereld begon het te gonzen. Het was een groot mysterie, de wildste verhalen spookten in het rond, maar alleen papa wist meer, zei hij, en dan dempte hij zijn stem, wat fijn griezelig was, maar ook heel vertrouwd omdat het fijn was dat hij zoveel tijd voor mij had, omdat hij toch nergens naar toe hoefde te gaan.

Eigenlijk, zo eerlijk moet ik wel zijn, leken alle verhalen een beetje op elkaar. Het werd nacht, de renners kwamen tevoorschijn, ze maakten heel voorzichtig wat vuur, bereidden hun maal en dan vertrokken ze. Het waren naamloze renners in een land zonder naam. En toch herkende ik steeds meer van de landschappen die papa beschreef. Het was net alsof papa de wielrenners in onze vakantiefoto’s had geshopt. Ik herkende de dorpjes waar we in de schaduw de hitte hadden afgewacht, de meertjes waarin we hadden gezwommen en de bergen waarover we traag met de auto naar de hemel waren geslingerd.

En ooit, zo eindige papa elke avond zijn verhaal, komen ze weer tevoorschijn. Hun wielerkleding helemaal versleten, maar in een heel goede conditie omdat ze gewoon verder waren gefietst, en dan mogen ze weer echt wielrennen, niet langer stiekem, maar gewoon weer op tv, voor iedereen te zien. En dan zuchtte papa, heel diep en dan vroeg ik mij af wat hij met die zucht nou precies wilde vertellen.