It giet net oan!

Op 4 januari draaide de wind. De kou die volgde, versteende het zompige land. Het was een kou die herinnerde aan lang vervlogen tijden. Aan mannen met ijspegels in hun baard, auto’s op het IJsselmeer en ijsbloemen op de ramen.

Vier dagen later sprak premier Mark Rutte tot het volk. Het leger werd ingezet om te voorkomen dat het met potten en pannen gewapend tegengeluid via de dichtgevroren Hofvijver het torentje zou bestormen. De straffe noordoostenwind was echter zo onbarmhartig koud dat zelfs het meest hardnekkige verzet bevroor in apathie. Het enige geluid kwam van de wind die fluitend door de verlaten straten van de Hofstad joeg. De door iedereen vergeten, kletsnat geregende kerstversiering werd gevriesdroogd tot poeder richting zee geblazen.

De boodschap van de premier was helder als zwart ijs: Friesland ging op slot, het was niet eens een advies. Binnen een paar nachten was het ijs op de route van de tocht der tochten zo spectaculair gegroeid dat er, om met minister de Jonge te spreken, sprake was van de komst van een nieuw virus; zeer besmettelijk en exponentieel groeiend, in normale omstandigheden volstrekt ongevaarlijk, maar nu, in deze bizarre tijd, een meer dan prima ijsbreker voor dat andere virus, dat alle soberheid ten spijt, nog lang niet geweken was. Hij zei: ‘laten we er nou met elkaar voor zorgen dat we niet zomaar een derde golf inglijden. Dat wak moeten we vermijden met elkaar.’ Premier Rutte sloot zijn betoog af met de dringende oproep thuis te blijven en zeker niet naar Friesland af te reizen. ‘Doe het nou gewoon niet! It giet net oan!’

Terwijl de toespraak van de premier in de gebruikelijke talkshows werd geanalyseerd -weinig warmte, voorspelbaar einde, geen aandacht voor de Nederlands traditie van sneeuw en ijs, van schaatspret in de geest van Ard en Keessie, een bekende schaatshistoricus vertelde dat er ten tijde van de Spaanse griep, maar ook in de Tweede Wereldoorlog, gewoon werd geschaatst, zelfs een Elfstedentocht verreden werd, Erben Wennemars zei dat hij de beslissing begreep, maar dat hij wel een stevig potje had gejankt, Jillert Anema stelde dat de wedstrijdrijders wel gewoon van start moesten kunnen gaan en een Friese historicus stelde dat het verbieden van de Elfstedentocht qua impact vergelijkbaar was met de Eik van Bonifatius- stroopte het verkeer voor de haastig opgeworpen Friese grensblokkades. Volgens verslaggevers ter plaatse liep de sfeer uiteen van ludiek, gelaten tot uitgesproken grimmig. Dat laatste was vooral het geval op de Afsluitdijk waar een lange stroom schaats minnende gelukszoekers getooid met Unox-mondkapjes dekentjes kreeg uitgereikt door vrijwilligers van het in allerijl opgetrommelde Rode Kruis.

Een dag later en een kilometer of 20 ten noorden van Franeker, verdween Betse Barrema, een alleenwonende iezegrim, maar diep van binnen een prima mens, onwetend van alle ophef die zijn provincie in de greep hield, in een oud boek, geschreven door een of andere Russische romancier, dat hij in de illegaal geopende kringloopwinkel op de kop had getikt. Hij hield van de klassieke Russische literatuur, van betoverende verhalen vol sneeuw en ijs die hij bij voorkeur, met een goede borrel binnen handbereik, las op duistere poolnachten als deze. Nachten waarin de wereld kraakte onder een uitspansel van sterrenstof en de geur van vorst door de kieren van Betse zijn oude huisje naar binnen sloop.

Hij had ze gemist, die ijskoude winters, winters van weleer waarin het bevriezen van de vaart, waaraan hij al zijn leven lang woonde, in de wintermaanden eerder regel dan uitzondering was. Hij hield niet van de winterse levendigheid op de vaart, maar wel van de ijsblauwe, kraakheldere luchten, van de bontgekleurde schemering. ‘s Nachts keek hij naar de overvloed aan sterren en piekerde hij over de eindeloosheid van het zwerk. De heldere kou gaf hem een gevoel van verbondenheid. Met koude landen die ver achter de horizon onder een deken van sneeuw en ijs op het voorjaar wachtten. Met de hoofdrolspelers uit zijn favoriete boeken: Moordlustige Tsaren, Siberische bannelingen en arme drommels die bij bosjes crepeerden van honger en kou. In de kou voelde hij zich verbonden met de duistere tijd waarin ze leefden. Een wereld die allang niet meer bestond, maar waarvan hij de stuiptrekkingen, hier op deze verlaten plek en zeker in dit soort barre nachten, nog regelmatig voelen kon. Zachte grijze winters sloten hem op in het hier en nu, ze beperkten zijn gedachten. Kwakkelwinters maakten hem depressief.

Hij had ze in de afgelopen dagen weer voorbij zien komen over de vaart. Een beeld dat hem herinnerde aan de winters van weleer. Ze gleden opnieuw door zijn herinnering. In groepen of moederziel alleen. Hij dacht aan de sukkelaars die hij vervuld met medelijden de muil van de steenkoude leegte in had zien krabbelen. En er waren echte schaatsers die met machtige, sierlijke klappen weerstand boden aan de woeste elementen. Hij bewonderde ze, ook de krabbelaars; ze gingen door waar hij was gestopt. Een bewondering die groter was dan het gevoel van spijt dat hem kwelde wanneer hij ze vanuit zijn stoel half verzonken in het met rijp bedekte land voorbij zag glijden.

Betse las en dronk, glaasjes jenever met een kop erop die hij in het vuur van het verhaal wegsloeg in hetzelfde tempo waarmee hij borrelnootjes at. Er werd gemoord en geroofd in het boek. Een troep woeste Kirgiezen bestormde een dorp, over het ijs dat de woeste rivier, die in warme tijden een natuurlijke bescherming bood, plaveide voor hun wendbare paardjes. Betse was een beeldendenker. In gedachten zag hij het moorden, het roven, het wond hem op en het maakte hem bang, op een bepaalde manier alert. Ondanks de roes van de drank, het vuur van het verhaal, stonden al zijn zintuigen op scherp. Hij dacht aan wat hij eerder die week in de kringloopwinkel had gehoord. Een bende die het platteland afstruinde. Ze waren meedogenloos. De wind floot om zijn huis, het vuur in de haart knetterde uitbundig. Van buiten klonk een vreemd gekras. Een schreeuw. Hij dacht aan het geld in de kelder en was waakzamer dan hij ooit in zijn leven was geweest.

Het gekras werd luider. Kreten van pijn, hartgrondig gevloek. Hij floot naar de hond die als een dweil voor de haard lag te slapen, sloeg nog een borrel achterover, en ging naar buiten. De kou was angstaanjagend, maar deerde Betse niet. Hij moest zijn bezit beschermen. Het krassende wezen kwam naderbij, geen ritme maar een toevallige beweging, bijna een struikelpartij. Met toegeknepen ogen tuurde Beste het duister in. Zijn dunne grijze haar slierde over zijn rimpelig gelooide kop. Een schim doemde op uit het duister. De hond sloeg aan en rende heen en weer langs de vaart.

In zijn jonge jaren had Bas ongelooflijk veel ridderfilms gekeken. Het meest hield hij van de scenes waarin de held van het verhaal net onder een neervallend hek, met van die scherpe punten aan de onderkant, een kasteel uitrolde, zijn vrijheid tegemoet. De manier waarop Bas net voordat Friesland hermetisch werd afgesloten van de buitenwereld, de provincie was ingerold, herinnerde hem aan die geweldige scenes van toen.

Hij had het aan voelen komen; op het moment dat de wind draaide, zei hij tegen iedereen:
‘Let maar op; het zet door, er komt een Elfstedentocht en dan gaat Friesland op slot. Let maar op!’
Niemand die overigens begreep waar die plotse fascinatie van Bas voor de Tocht der Tochten zomaar opeens vandaan kwam. Bas was geen schaatser, eigenlijk ook geen sporter, hoewel hij zo af en toe, met grote tegenzin, een rondje liep. Bas was niet dik, maar de scherpe randjes waren al lang en breed verdwenen. Uitgegumd door een paar kilootjes teveel waarvan hij niet de illusie had dat hij ze ooit nog kwijt zou raken.

Op 7 januari zei hij tegen zijn vrouw dat hij naar Friesland ging om daar de Elfstedentocht te schaatsen.
‘Ha, ha, grappig’ zei zijn vrouw; en ik heb een minnaar, nu jij weer!’
Maar Bas zei dat er helemaal niets te lachen viel, dat hij serieus naar Friesland ging om de Elfstedentocht te schaatsen voordat de boel op slot zou gaan.
‘Maar waarom dan, schat?’ vroeg zijn vrouw.
‘Dat kan ik je toch niet uitleggen,’ antwoordde Bas.
Hij vertrok. Zijn gloednieuwe schaatsen nog in de doos, twee trainingsbroeken over elkaar, zijn ski-jas en een schone onderbroek.

De autoreis naar Friesland verliep tot aan de provinciegrens van een leien dakje. Hoewel Bas gewoon door kon rijden, was de sfeer op de weg onrustig. Alsof er iets borrelde. Op de autoradio werd alvast stevig gespeculeerd over de op handen zijnde persconferentie. Met een mengeling van angst, opwinding en nieuwsgierigheid deelden kenners hun op lucht gefundeerde mening. Af en toe belde hij met zijn vrouw. Ze zei dat ze er nog steeds geen snars van begreep. Ze vroeg hem voorzichtig te zijn.
‘Ik hou van jou’, zei Bas.
‘Ik ook van jou’, zei ze en Bas dacht opnieuw aan het grapje van de minnaar. Hij dacht voortdurend aan het grapje van de minnaar, maar had niet de moed ernaar te vragen.

Toen hij in de avondschemer over de A6 door de uitgestrekte polder reed, had hij de autoradio heel even uitgezet. Ook zijn telefoon schakelde hij uit. Hij dacht na. Hij dacht heel diep na. Maar hoe diep hij ook groef, nergens vond hij een concreet antwoord op de vraag waarom hij dit juist nu wilde doen. Hij overdacht zijn leven. Het was overzichtelijk en keurig als de voortuin van zijn woning. Maar diep onder de tegels en de aangeharkte perkjes woekerde een reusachtig vuur. Een oerkracht die in bedwang gehouden werd. Door de tegels van het goede fatsoen. Hij had zich gevoegd. Eten, een huis en ondertussen dreef hij steeds verder bij zichzelf vandaan. Hij moest iets doen om zichzelf te hervinden. Een tegel weghalen om de oerkracht de ruimte geven. De consequentie van die daad was onbekend. Dat maakte hem nieuwsgiering en bang tegelijk.

Vlak voor Lemmer stroopte het verkeer. Politiewagens slalomden waakzaam door het verkeer. Bas kon er niets aan doen, maar steeds wanneer hij werd ingehaald, stak hij zijn hand op als groet. Alsof hij duidelijk wilde maken dat hij geen kwade bedoelingen had. Op de autoradio was de premier begonnen te praten. Hij kwam snel ter zake en Bas dacht aan het hek. De provinciegrens naderde, het verkeer kroop onrustig voort en toen, ondanks alles zomaar opeens, was hij in het beloofde land. In zijn achteruitkijk spiegel zag hij sirenes, rode lichten en een vrijwel verlaten weg.

Bas nam de omgeving in zich op. Het voelde alsof hij in een bezette staat was aangekomen. Links van hem zag hij aan de horizon de trotste contouren van een handvol karakteristieke Friese boerderijen. Ze staken duister af tegen het kraakheldere zwerk. Even later passeerde hij het Tjeukemeer. In het duister, als stipjes op de onvoorstelbaar grote ijsvlakte, zag hij schaatsers rijden. Hij dacht aan zijn eigen schaatsen, in allerijl bij een webwinkel gekocht, maar vooral dacht hij aan zijn lichaam, dat logge lichaam waarmee hij nog maar zo weinig deed, dat ruim dertig jaar geleden voor het laatst op een paar schaatsen had gestaan, op de ijsbaan, waar hij zo af en toe een rondje schaatste, maar waar hij vooral kwam voor de warme gezelligheid van de kantine; biertje in de hand, een beetje indruk maken op de meisjes. Met een schok realiseerde hij zich dat het vandaag precies dertig jaar geleden was. In een walm van punch, petroleum en rookworst, en met een paar schaatsen hinderlijk aan zijn voeten, hadden ze voor het eerst gezoend. Hij onderdrukte de reflex om haar meteen te bellen en reed door, richting Leeuwarden, waar hij de volgende morgen, heel vroeg, in het vale licht van een staalblauw ochtendgloren, met de tocht zou beginnen die heel zijn leven zou veranderen.

Bas stond om 5 uur in de ochtend op de Zwette. Dat hij Sneek haalde was op zich al een wonder. Dat hij de overkant van het Slotermeer haalde was een mirakel en dat hij al heel laat in de avond de poorten van de hel van het Noorden bereikte was gewoonweg onvoorstelbaar. Wat ook onvoorstelbaar was, was dat Bas Bartlehiem zou halen. Hij schaatste niet; hij strompelde en waarschijnlijk had hij zonder schaatsen sneller gegaan. Hij had haar gebeld en zij zei:
‘Je bent het echt gaan doen he? Het was geen grap he?’
En Bas antwoordde: ‘Dat van jou was ook geen grap he?’
Het bleef heel stil aan de lijn, en Bas was verder gekropen, huilend van woede, van verdriet, van pijn, maar ook van ontroering omdat de pijn en de pracht van het woeste decor waardoor hij zich verplaatste heel diep van binnen iets raakte. Iets dat hij al jarenlang was kwijtgeraakt, wat onbereikbaar was geworden. Zijn betegelde ziel werd langzaam maar zeker aan de natuur teruggegeven. Bas reed een nieuwe wereld binnen. Een wereld die hij tot dan toe niet kende. In de verte zag hij een huisje waaruit eigeel kunstlicht langs de gesloten luiken naar buiten gulpte. Een zacht licht waaruit een mysterieuze gestalte tevoorschijn kwam en alweer snel verdween.

Betse zwalkte naar zijn schuur. Hij greep de jachtbuks van zijn werkbank en half verscholen achter de zwart geteerde deur richtte hij op de mysterieuze gestalte. Opnieuw een woeste kreet, gevloek, de hond raakte over zijn toeren en blafte als een dolle. Betse laadde en schoot. Hij laadde en schoot nog een keer. En nog een keer, net zolang totdat het stil werd op de vaart. Stiller dan het ooit was geweest. Hij kroop opnieuw richting de werkbank, pakte zijn oude schaatsen van een roestige spijker, bond ze onder, kluunde richting de vaart en schaatste verder waar hij bijna 60 jaar geleden zo laf van het ijs was gestapt.

De volgende morgen waren Bas en Betse wereldnieuws. Twee lijken in de vrieskou. Een doorzeeft met hagel en de ander in zijn ondergoed met een paar Friese doorlopers onder zijn pantoffels met Pompeblêdprint. Specialisten tuimelden over elkaar heen om een antwoord te vinden op de vraag of, waar en hoe er een verband bestond. Tussen teleurgestelde geesten en een verboden volksfeest. Tussen het afsluiten van grenzen en een oplaaiend nationalisme. Vele scenario’s passeerden de revue, maar ze verzadigden niet de honger naar duiding. Ondertussen werd het in Friesland gewoon weer nacht en jankte Betse zijn hond eenzaam naar de sterren.