Johnny 269

1.
‘En nu?’ vroeg de vrouw achter het stuur.
‘Hoezo, en nu’ antwoordde Johnny, wielrenner, feitelijk ex-renner, languit op de bijrijder stoel, witte sportsokken op het dashboard. Een paar uur eerder was hij voor het laatst over de finish gebold. In de buik van het peloton. Daarna nog wat gedronken met de ploeg, een paar onhandige omhelzingen, wat loze beloften en toen was het definitief: zijn carrière was voorbij. Het spookbeeld van een leven van 9 tot 5 groeide als een donderwolk boven zijn hoofd. Een computer op een grijs bureau, een kantoor met een systeemplafond. Of heel misschien toch nog iets in het wereldje. Een laatste kunstje om zijn loopbaan van wat glans te voorzien, een strohalm om te rekken waarmee hij was vergroeid. En anders? Iets met PR, het begeleiden van jong talent of met een microfoon op de televisie? Eigenlijk maakte het hem niet zoveel uit; hij hield van het georganiseerde zwerversbestaan, elke nacht een ander bed, jongens onder elkaar. Hij wist niet of het vrijheid was, maar het kwam er wel bij in de buurt. Lang was hij trots geweest, enkel op het feit dat hij professional was. Zijn status was een doel, geen middel om eeuwigheidswaarde te creëren. Hij, een jongen die tot zijn 17e nooit een fiets had aangeraakt, fietsend tussen de beste renners ter wereld.
Een smalle weg strekte zich voor hem uit. Aan weerszijden gaapte een gulzig zwart gat. De auto, even degelijk als de zojuist afgesloten carrière, gleed richting het noorden.
‘Nou, precies zoals ik het zeg; wat nu?’
‘Eerst maar even helemaal niets, lieve schat. Eerst maar even genieten’.

De renner stond aan de start van de belangrijkste wedstrijd van het jaar. Om hem heen klonk het vertrouwde geroezemoes van een peloton op scherp. De geuren van de koers, van zijn bestaan. Een paar meter verderop stond een man met een pistool. Hij balkte wat over de schoonheid van de koers, van de gemeente vooral en nog wat over een gezond lijf en een gezonde geest. Daarna echode een schot tussen de huizen. De groep kwam langzaam in beweging, als een loonslaaf op een regenachtige maandagmorgen. Het mechanische klikken van schoenplaatjes in een pedaal. Hij klikte mee, een automatisme, maar vond geen grip. Schoenen! Hij was zijn schoenen vergeten, de belangrijkste koers van het jaar en hij stond op zijn sokken aan de start.
Een schok, rechtop in bed, meteen gevolgd door een gevoel van opluchting: hij hoefde niet meer. Nooit meer koersen, zijn carrière was voorbij.
De maan perste een zilverblauwe streep door de gordijnen en verlichtte de brede heupen van zijn vrouw. Ze lag doodstil te slapen. Voortaan zouden ze 365 dagen per jaar het bed delen. De opluchting maakte plaats voor beklemming.
Binnenkort zou het over kinderen gaan.
‘En nu?’ hij dacht aan de vraag die hij nog steeds niet kon beantwoorden. Iets legendarisch aan de wereld achterlaten? Het werelduurrecord om maar iets te noemen? Wie zat er anders te wachten op een degelijke ex-prof als hij. Nooit opgevallen, niet in positieve, maar zeker ook niet in negatieve sfeer. Een man zo degelijk als het stel Ecco schoenen aan de voeten van de boekhouder die al vanaf het begin van zijn loopbaan zijn financiën verzorgde. Een ploeggenoot had de man bij hem aangeboden. Vanwege het ingewikkelde prijzengeldsysteem dat de ploeg hanteerde. Hij had er weinig last van gehad. Ondanks het hoofd vol dromen waarmee hij het peloton der professionals betreden had.

De volgende morgen at Johnny croissantjes met ham en kaas. Het vet glom op zijn vingers. Hij was een gedisciplineerd mens. Zelfs in de winter wanneer collega’s de riem lieten vieren, zweerde hij bij matigheid. Heel soms trakteerde hij zichzelf op een patatje met. De volgende dag trainde hij twee uur extra om dat moment van zwakte te compenseren. En nog steeds voelde hij zich vies, alsof het vet zich onder zijn dunne huid had opgehoopt. Hij kastijdde zijn lijf, net zolang tot hij weer schoon en droog was. Hij at er 6, niet eens omdat hij het zo lekker vond. Maar waarom wel? Hij wist het niet. Omdat er niets meer van hem werd verwacht? Hij kon eten, drinken, doen wat hij wou. En toch voelde het raar, alsof hij losgelaten was in een stad waar hij de weg niet kende. Neonlichten, verleiding en mensen op drift. Er was teveel om in te verdrinken.

Johnny schonk zichzelf een paar weken bedenktijd. Bijna dagelijks bekeek hij zijn spiegelbeeld. Slank en pezig, het vet verdroogd door de arbeid waar hij zo van hield. Hij spande zijn bovenbeen en genoot van het beeld. In het vroege voorjaar keek hij uit naar de tang die de plooien van zijn lichaam mat. Een keer per jaar was hij de beste van de ploeg. Langzaam zag hij de verandering, als een kleurplaat waar een glas water overheen gevallen was, uitgelopen kleuren, vervagende lijnen. Hij wreef over de huid waarop zwarte stoppels groeiden. Hij nam afscheid, elke dag een beetje meer. Daarna waren er chips, bier en koek. Hij lag op de bank en deed helemaal niets.

Toen hij zich na drie weken mateloosheid voelde als gistend stuk fruit, greep hij terug naar een oude gewoonte: de fiets.
Met een zweem van spijt bekeek hij zijn spiegelbeeld. Het lichaam waarin hij zichzelf verloren had. De kleding knelde, hij voelde zich als een volgepropte worst. Eenmaal op de fiets reageerde zijn lichaam als in een reflex. De benen herkenden de beweging, de longen, opgefrommeld als een papieren zak in de keukenla, vulden zich met frisse lucht en een tinteling van geluk kroop langs zijn ruggengraat. Hij fietste.

Al fietsend dacht hij aan het moment dat alles in zijn leven veranderde.
Zijn broertje rende naar binnen. Blinde paniek.
‘Pa!’
Pa was dood; zijn hart besloot dat het niet meer langer in staat was om het bloed in een door vraat- en drankzucht geruïneerd lijf rond te pompen. Dichtgeslibd als een door kalk verwoeste wasmachine. Een wake-up call die alleen hem bereikte.
Papa lag achter in de tuin, net voor het konijnenhok. Een week later lag hij op de begraafplaats. Een laatste groet en dan verder met het leven dat een afslag had genomen in een voor iedereen ongewenste richting. Na de begrafenis zapte hij bij toeval langs de koers; het bleek alweer een nieuwe afslag te zijn.
Er was een tijdrit. Een man met donkere armen en benen en een indrukwekkend lijf stoof in een perfecte cadans door een zonovergoten land. Hij straalde macht uit. Dat hij de beste was, leidde geen twijfel. Zijn gezicht toonde geen sporen van vermoeidheid, eigenlijk vertelde het helemaal niets. Er verschenen cijfers en letters in beeld. Ze maakten duidelijk dat Michael Indurain de rest verpletterd had. De camera passeerde andere wielrenners, de stervelingen. Er lag een grimas op hun gezicht die hem deed denken aan zijn vader daar achter in de tuin. Hij werd het toestel ingezogen en probeerde zich voor te stellen dat hij het was daar op die fiets. Een machine zonder emotie.
De verandering die volgde deed denken aan een bekering, inclusief de hoon en onbegrip van de wereld om hem heen.

Johnny had zijn benen weer gevonden. Hij genoot, ondanks de zachte waas van regen die hem langzaam doorweekte. Het land om hem heen was leeg. Kale akkers met glimmende voren strekten zich uit onder een grauwe hemel. In zijn hoofd telde hij de jaren dat hij voor het eerst met de bloemen stond te zwaaien. Het was een dag als deze en ze waren weg met drie. Hij koerste als een veldheer en toen hij met gespreide armen over de finish gleed, wist hij dat hij de juiste keuze had gemaakt. Weg van zijn moeder op de bank, schuilend achter haar verdriet. Wie vooruit wil in het leven, weet dat er geofferd moet worden.

Hij zat al bijna twee uur op de fiets. In de verte verscheen het dorp van zijn jeugd als een kartelrand aan de horizon. Normaal gesproken kwam hij hier nooit. Tijdens zijn loopbaan had hij zijn arsenaal aan trainingsronden beperkt tot een rondje van een kilometer of 30 om de benen los te draaien en een rondje van 120 kilometer dat hij heel af en toe tweemaal achtereen reed. Het was nooit in zijn hoofd opgekomen om tijdens zo’n lange training eens een andere route te nemen. Johnny wist liever waar hij aan toe was. Van verassingen ging tenslotte niemand harder rijden.
Was hij nu bewust in richting van zijn roots gereden? Hij wist het niet, maar zo dicht bij het huis dat hij 20 jaar eerder verliet was hij nog niet eerder geweest.

2.
Met het naderen van het dorp, kwamen de herinneringen. Aan zijn moeder, zijn broertje. Aan de dag dat hij vertelde dat hij ze ging verlaten.
Hij zat aan tafel met zijn broertje. De moeder lag op de bank. Ze aten bami uit een plastic bak en de Johnny bedacht dat hij geen keuze had. In gedachten zag hij zijn moeder die op haar knieën achter de kist aan kroop.
Hij voelde hetzelfde als een paar weken daarvoor; een gierende spanning tollend door zijn lijf, een mol die wroette in zijn maag. Op zijn rug brandde een nummer. Er was geen weg terug. Hij voelde zich onzeker in het gekrioel van jongens en fietsen dat op hoge snelheid door het dorp heen jakkerde. Ze scholden hem verrot als hij in zijn remmen kneep of zwabberde in de bocht. Geen jongensboekachtige start, maar ondanks alles een degelijk begin. In de buik van het peloton bolde hij over de meet.
‘Je hebt talent’ zei een man achter een dranghek. Hij sprak een beetje als prins Bernard.

Er waren veel soorten wielermannen. Dat had hij in zijn prille loopbaan al vastgesteld. Hij had ze in hokjes gezet. Dat deed hij graag: ordenen, de situatie overzichtelijk maken. De eerste groep doopte hij de haantjes. Mannen die soigneren verheven hadden tot een doel op zich. Op het podium lachten ze hun tanden bloot met de mooiste meiden. Hun truitjes zaten onberispelijk, de benen glanzend en bruin. Ze werden omgeven door een zoete geur van succes. En er waren de jongens met een grote bek. Ze scholden je verrot in de koers. De jongens van het volk, jongens als zijn vader.
De renners uit de betere milieus hadden andere drijfveren. De koers was prima voor erbij. Ze praatten niet over wielrennen, maar beredeneerden erover als een wereld die ze bewonderden, maar waarvan ze niet afhankelijk waren.
Tot slot had je de monniken. Graadmagere mannen wars van uiterlijk vertoon. Voor en na de koers steevast gehuld in een te groot trainingspak. De sport markeerde hun bestaan. Meestal hielden ze zich op in de staart van het peloton. En als ze eens per ongeluk op een podium belandden, meestal na een solo, hielden ze hun helm op en kleefden er slierten snot op hun net iets te wijde trui.
De man achter het dranghek was een monnik.

‘Nu ben ik alles kwijt’ riep de moeder. Zijn broertje hing suf achter de televiesie.
Maar hij ging. Met zijn racefiets in de hand en twee sportjassen om zijn nek keek hij nog eenmaal achterom. Hij twijfelde geen moment. Diezelfde avond nog sliep hij in het huis van de monnik.
Later, toen hij zich in de wielerhistorie ging verdiepen, deed de monnik hem denken aan een type als Fedor den Hertog. Diezelfde begeestering, een heilig vuur dat brandde in zijn ogen. Een extreme benadering van de sport.
Toen voelde hij zich als een ninja uit een film. ’s Ochtends om 6 uur ging de wekker. Meteen op de fiets voor een training op de lege maag, een eenvoudig ontbijt, naar school, trainen, een lichte maaltijd en dan weer vroeg naar bed. Een geordend en buitengewoon gedisciplineerd bestaan waar hij op dat moment gelukkig van werd.
Was Indurain ook een monnik? De zwijger van Navarra; in ieder geval een naam met monnikachtige trekken. Of was Indurain een God, de oppermonnik en waren er profeten als de monnik die zijn boodschap -met een ijzeren discipline is zelfs het hoogst haalbare mogelijk- met een selecte groep mocht delen.
Hij voelde zich uitverkoren.

De regen geselde het dorp. Net als toen in Kuurne, een gedachte die hij meteen verdrong. Vanonder een boom keek hij naar de supermarkt, naar de mensen die met een paraplu of een plastic zak boven hun hoofd richting hun auto’s snelden. Hij baalde van het pak dat hij droeg. De kleding van zijn laatste ploeg. Ooit stond het symbool voor zijn status, nu accentueerde het zijn verval.
De aanblik van het dorp waar hij was opgegroeid, deed hem duizelen. Het verleden raasde als een achtbaan in zijn hoofd. Hij voelde de pijn die hij jarenlang verdrongen had, een gevoel van spijt. Herinneringen aan de schepen die hij allemaal had verbrand. Zwartgeblakerde wrakken die nog altijd ronddobberden op een grote oceaan. Kapot en beschadigd, maar ze dreven in zijn richting. Hij had zijn roots verworpen alsof het een stuk afval was. Omdat hij renner wilde zijn. Omdat hij zich bekeerd had tot de wielersport, begeesterd door de monnik die hem in een keurslijf duwde. Hij stelde geen vragen, maar gaf zich over aan de man in wiens leer hij onvoorwaardelijk was gaan geloven. Een relatie die hem deed denken aan die van Frank Vandenbroucke en zijn paardendokter Sainz.
‘Wanneer Sainz mij zegt dat ik pis moet drinken, dan doe ik dat’.
Hij wist dat hij hetzelfde had gedaan. Vooral ook omdat de monnik een renner van hem had gemaakt. De succesjes kwamen, sijpelend, en maskeerden zijn verdriet, de heimwee die hij ontkende. Hij verdrong en fietste.
Nu hij was gestopt, kwam er ruimte voor het verleden dat hij had weggestopt onder de vluchtigheid van zijn min of meer mislukte carrière. Verkoolde schepen doemden op aan de horizon. Het maakte hem bang.

Zijn moeder leefde nog. Dat wist hij zeker. Hij had haar gebeld, midden in de nacht. Ze nam op en noemde haar naam. Hij moest zich bijna vasthouden aan de tafel. Het was teveel; hij hing op zonder een woord.
Het begon nog harder te regenen. Putten gorgelden door overdaad, de boom bood geen beschutting meer. Het was beestenweer, net als die ene dag in Kuurne.
Het had zijn ultieme moment van glorie moeten zijn. Min of meer bij toeval was hij alleen voorop geraakt. Meegelift in de vlucht van de dag, het peloton dat naderde, nog eenmaal perste hij er iets uit dat voor een demarrage door moest gaan. Voor de sponsor, voor zijn vrouw thuis op de bank, en dan nog even spartelen. Het gebruikelijke spel waar hij zich graag voor liet gebruiken.
Het weer sloeg om. De regen trok een duister gordijn over de wegen en in het rekenende peloton regeerde plots de chaos. Een in de schoot geworpen moment of fame. Het werd een fiasco. Nog niet eens zozeer vanwege de handen die een ronde te vroeg ten hemel werden geheven, maar veel meer vanwege de manier waarop hij dat deed. Een eruptie van jarenlang opgebouwde frustratie, een puist op spanning die eindelijk knapte. Hij huilde, sloeg zijn handen voor zijn ogen en beukte op zijn stuur. Een bodemloze emotie. Hij schreeuwde als een kind en wist niet eens of het van blijdschap of verdriet was. Toen de bel zijn droom verstoorde, wilde hij voorgoed verdwijnen. De gebeurtenis achtervolgde hem als een vlieg die hinderlijk om zijn hoofd bleef vliegen.
Soms passeerde hij andere renners tijdens een training en als ze hem herkenden riepen ze:
‘Hé mister Kuurne!’
Daarna juichten ze als zotten.
In feite was Kuurne het einde.

Johnny had trek in een peuk. Hoe lang was het geleden dat hij had gerookt? Hij dacht aan de rook die als duizenden naalden in zijn longen prikte. Dezelfde jongensachtige opwinding als toen, ver voor zijn bekering, ver voordat Miquel Indurain hem via de televisie tot zich riep. De televisie in het huis dat hier een paar 100 meter vandaan stond.
Het verleden dat voor het grijpen lag.

3.
Johnny ging eraan voor de moeite. Klemgezet, door een onvoltooid verleden in twee bedrijven en de toekomst waar hij nog lang niet klaar voor was.
Ze wilde een kind.
Een morele verplichting, omdat de mantra die hem een paar jaar had gedekt- als ik gestopt ben lieve schat- haar betekenis verloren had.
Weerloos liet hij zichzelf verschalken, als een renner in afwachting van het peloton dat over enkele seconden genadeloos over hem heen zal zoemen. Hij gleed weg in een spiraal van neerslachtigheid, besluitloosheid en zelfbeklag. Dagenlang lag hij op de bank, kijkend naar de televisie of naar buiten, naar de sneeuw die de wereld langzaam bedekte. Vroeger zat hij met dit soort dagen in de schuur, op zijn rollenbank en dacht hij aan de lente, de eerste koersen van het jaar waarin het dan eindelijk eens moest gaan gebeuren.
Ooit was voedsel brandstof. Nu oppervlakkige troost. Zijn lichaam groeide dicht als dat van zijn vader. Soms ging hij naar buiten. Hij wandelde naar een steeg en rookte een sigaret. Hij verachtte zichzelf.
Er moest iets gebeuren, een nieuwe bekering, een monnik die de uitgelopen lijnen van zijn leven opnieuw zou markeren.

De monnik zei dat hij een nog lang niet rijpe appel was en dat hij niet toestond dat hij nu al werd geplukt.
‘Nu heb ik de kans’ wierp hij tegen.
‘Het is te vroeg, je moet rijpen’.
Weer stak hij een schip in de brand en koos hij zijn eigen weg. Hij verliet de monnik en een maand later zat hij op Mallorca met zijn ploeg. Top- amateurs, met een hoopvolle lijn richting het profpeloton. Hoe lang was hij al renner? Hooguit een jaar of 2 en nu al dit bereikt. Er kroop een bepaalde gemakzucht in zijn systeem. Hij laafde zich aan de geneugten die de monnik hem onthouden had en hij trainde te hard.
Op de vierde dag van het trainingskamp was hij verkouden en hij bleef achter in het hotel. Hij dwaalde verveeld door de gangen. Vanuit een zaaltje klonk geroezemoes en wat muziek. Hij liep er naar toe en zag een groepje wielertoeristen naar een scherm kijken. Daarop was een zoutvlakte te zien en een soort van racewagen met daarachter een renner die met 268 kilometer per uur over de wereld stoof.
‘Idioot’ dacht hij en hij zette koers richting de eetzaal om te kijken of het nieuwe buffet er al stond.

Het was nacht.
‘Ik ga naar bed’ zei de vrouw.
‘Ik kom zo’ zei Johnny. Hij bleef achter op de bank als elke nacht, piekerend over zijn toekomst, onsamenhangend, zonder enig resultaat. Buiten hoopte de sneeuw zich op voor de ramen, op de televisie werd rommel verkocht.
Eeuwigheidwaarde, daar draait het om. En opeens zag hij een messcherp beeld: die man daar op die vlakte, die idioot, die was al jarenlang verzekerd van een goed bestaan. Dankzij dat belachelijke record. Het werelduurrecord, waar hij eerder aan had gedacht, was vluchtig als het parfum van een mooie vrouw in een drukke winkelstraat, wisselde van eigenaar als een boek uit de bibliotheek. Het snelheidsrecord van Fred Rompelberg was een ander pak mouwen.
Hij wist wat hem te doen stond.
Opeens greep hij zijn mobiel. Dat nummer moest hij nog ergens hebben. Hij scrolde door de lijst en drukte op de groene hoorn.
De telefoon ging lang over, maar toen klonk er een slaperige stem aan de andere kant van de lijn:
‘Ja hallo, met Fred 268’.
Hij zei niets, de verbinding kraakte.
‘Ja hallo, wie is daar?’
De renner haalde diep adem.
‘Goedenacht, u spreekt met Johnny 269′.

Nu was er geen weg meer terug.

4.
Johnny had zijn bijdrage geleverd aan de kringloop van het leven. Het ging even snel als anders, en toch voelde hij zich bijzonder, euforisch, aantrekkelijk zelfs. Zijn leven zou weer richting krijgen, de structuur die hij zo nodig had.
Ze rookten samen een sigaret. Het was het meest opwindende dat hij ooit had gedaan.
‘Dat was fijn’ zei de vrouw. ‘Ik hou van je’.
Hij keek naar zijn lichaam dat naakt op de lakens lag. In het halfduister viel het hem niet tegen.
‘Vanaf nu wordt alles anders, lieve schat’ en hij vertelde van zijn plan.
Dat ze schrok was een understatement. Aan de andere kant telde ze haar zegeningen. Haar renner had weer een doel. Een belachelijk doel weliswaar, niet meer dan een krankzinnige verlenging van een mislukte loopbaan, maar toch.
Ze was hem zat geworden de afgelopen weken, er moest iets gebeuren. Nog langer een jammerende ex-renner op de bank en ze was er tussenuit geknepen.

Sommige renners gaan voor de lekkere wijven op het podium. Voor Johnny was er een ijverig meisje van de EHBO die hem ergens in het zuiden van het land als een vers geschaafd stuk vurenhout van de weg had afgeschraapt. Ze was er snel bij en terwijl de staart van de karavaan aan hen voorbijraasde, keken ze elkaar in de ogen. Hij was er slecht aan toe, maar gaf geen kik. Ze bewonderde zijn hardheid en week niet van zijn zijde. Een paar dagen na het ongeval stond ze op de stoep van zijn appartement. De verblijfplaats van een man alleen en ook nog eens vaak van huis. Ze bracht de gezelligheid die hij jarenlang niet had gevoeld.
Ze werden een stel en zij schikte zich in het ritme van zijn droom. Haar tijd zou wel komen, ooit als de carrière er op zat. Dan was zij aan de beurt.

Ze hield van haar man, het deed haar pijn om hem te zien verwelken als een droge kamerplant. Nog een keer zou ze zich plooien naar zijn wens, om het af te sluiten, om er echt een punt achter te zetten. Daarna moest het klaar zijn.

Vanuit dat perspectief kon ze het verdragen dat hij ging.
‘Ik moet dit doen’ sprak hij terwijl hij zijn koffers in de auto laadde.
Hij was op weg naar zijn monnik, omdat hij de enige was die hem kon leiden. Een week daarvoor hadden ze gebeld, ze hadden elkaar ontmoet.
‘Je bent dik geworden’ sprak de monnik. Hij draaide aan de wenkbrauwen die als palmtakken boven zijn diep teruggetrokken ogen hingen. Zijn jukbeenderen staken nog verder naar buiten als in zijn herinnering. Een rilling van afschuw trok over zijn ruggengraat. En toch zette hij door. Het voelde alsof hij geen keuze had.
Hij dacht aan het deel van zichzelf dat nu groeide in zijn vrouw. Het kind moest trots kunnen zijn op de vader die het op de wereld had gezet.
Die gedachte hield hem op de been.

‘Beschrijf je ergste pijn’ vroeg de monnik hem jaren daarvoor. Johnny liet hem een ovaalvormig litteken op zijn onderarm zien. Hij vertelde over een stoeipartij, hij lag onderop, zijn arm klem op de kachel. Hij schreeuwde als een varken, zijn huid versmolt sissend met het gloeiende metaal.
‘Stel je die pijn voor, en dan erger. Dát is de norm’ beweerde de monnik. ‘Als je tenminste wat wil bereiken in deze sport’.
Hij ging verder, hij was in vorm:
‘Wat is erger? De dood van jouw vader, of een koers verliezen’.
‘Een koers verliezen’ antwoordde Johnny, te zwak om geloofwaardig te zijn.
‘En nu de waarheid’.
De monnik boog zich voorover en keek dwars door de renner heen. Hij stelde nogmaals de vraag.
De derde keer brak Johnny. Hij huilde.
‘Staal je ziel, ban emoties. Je hebt nog een lange weg te gaan. Huilebalken winnen niet’.
Daarna gaf hij opdracht om de fiets te pakken.
‘Het regent’ zei Johnny.
‘Ja, het regent’ zei de monnik.

Daaraan dacht de Johnny toen hij naar het oosten reed. De monnik was neergestreken ergens in het voormalige Oost-Duitsland, op een verlaten staatsboerderij, ver weg van de bewoonde wereld. Na een lange reis kwam hij aan. De monnik wachtte hem op. Zijn gezicht was even grauw als de vlakte die zich achter hem ontvouwde. Er stond een harde wind, de vormloze kleding klapperde als een zeil om zijn magere lichaam. Het was koud.
De vrouw had hem een briefje geschreven, dat ze van hem hield, hem steunde en dat wanneer alles erop zat, ze gingen genieten van elkaar, van hun kind en de toekomst. Het lag op de bijrijdersstoel en telkens wanneer hij twijfelde aan zijn missie, het lege land bedreigend op hem overkwam, herlas hij de woorden en werd hij vervuld met een warmte die hem deed denken aan geluk.
De monnik trok het portier open en stak zijn gelooide kop naar binnen.
‘Aan de slag, Siegman’ zei hij en hij griste het briefje van de vrouw van de stoel.
‘Geen emotie’ en hij frommelde het papier in een prop en stak het in de zak van zijn trainingspak.
Daarna nam hij Johnny op van top tot teen.
‘Hoe heb je het in hemelsnaam zover laten komen. Je had nooit weg moeten gaan bij mij. Ik had een topper van jou gemaakt. Een winnaar en dan geen ronde te vroeg’.
Johnny kromp ineen, van spijt om het briefje, de verwijzing, het vooruitzicht de komende maanden door te moeten brengen met de monnik in deze uithoek van de wereld, in een complex dat aandeed als een spookhuis, maar vooral vanwege de naam die de monnik gebruikt had.
Siegman, het was zijn doopnaam. Hij had de naam al jarenlang niet meer gehoord.
En ondanks alles gaf hij niet toe aan zijn eerste impuls: omdraaien, naar het westen rijden en zich bij de eerste benzinepomp laven aan cola, gehaktballen en Marlboro sigaretten. Hij zette door; geen snoozeknop indrukken, nog een keer omdraaien, uitstellen wat toch moet gebeuren, maar in een keer het bed uit, de voeten op het ijskoude zeil. Hij zette door omdat er drie cijfers als een tatoeage in zijn hoofd waren geprent: 269.

Het kind zou trots zijn op de vader.

5.
De monnik leidde hem rond door het verlaten complex. Het was er even koud als buiten, de wind gierde om de loodsen en plukte aan loszittende golfplaten. Muziek in een kathedraal van een verloren heilstaat.
‘Hier gaan we de krachttraining doen’ vertelde hij wijzend op oude machine onderdelen, met zand gevulde jerrycans en zware kettingen. Hij had eigenhandig een krachthonk geschapen.
‘Om met zo’n snelheid over een vlakte te razen, moet je sterker zijn dan ooit. De krachten op jouw lichaam zullen gigantisch zijn’.
De monnik had zich verdiept in de materie, had zich met veel meer fanatisme op de uitdaging gestort dan de Johnny die niets anders had verwacht. In al die jaren was er helemaal niets veranderd. De monnik leidde, dicteerde en Johnny zou volgen als een schaap.
Aan de muren hingen verkleurde verwijzingen naar het communisme. Johnny vroeg zich af wat hem naar dit oord gedreven had. Door een eenzame opening in de massieve wand drong een straal zonlicht naar binnen. Een heldere strook die duizenden stofdeeltjes zichtbaar maakte. Ze buitelden op een ogenschijnlijk chaotische wijze door de ruimte. Johnny dacht aan zijn eigen buiteling. Gedesoriënteerd, zoekend naar een uitgang in de duisternis, geen benul van richting en tijd. De monnik en het record; ze waren zijn strook licht. Straks zou de zon definitief wegzakken in de vlakte. Het stof zou onzichtbaar verder dansen. Johnny wist dat het nu moest gaan gebeuren. Het licht was even aangeknipt, hij moest nu de uitgang vinden. Voordat het te laat was. Voordat hij buitelend achter zou blijven in de duisternis.

Johnny fietste over de vlakte. De monnik volgde hem in een oude Opel Kadett. Het land was leeg, een oceaan van akkers, wachtend op het kiemende gewas dat over enkele maanden als een groene waas het land zou bedekken. Aan de horizon was de ronding van de aarde te zien. Daarachter hield het op. Met de invallende avond kwam de kou.
Ze reden richting het einde van de wereld. Johnny leed. Zijn lamlendigheid had gaten geslagen in zijn ooit zo krachtige gestel. De monnik zag het. Ze zwegen erover.
Om 18.00 uur precies zaten ze aan tafel in een betegelde ruimte. Boven hun hoofden verlichtte een peer hun karig maal. Ze spraken geen woord. De monnik at langzaam en beheerst. Johnny snakte naar zijn huis.
Eenmaal op bed was hij te uitgeput om te slapen. Gedachten aan de reis, het record, het kind en vragen over de monnik krioelden als mieren door zijn hoofd. Waarom fietste hij niet mee? Waarom noemde hij hem Siegman? Hoe, in hemelsnaam kwam hij aan die naam?
Johnny rilde. Hij miste zijn vrouw en zijn bed. Buiten vroor het, binnen was het niet veel warmer. De adem uit zijn mond was zichtbaar in een wolkje dat hem deed verlangen naar een sigaret. Hij luisterde aandachtig naar de geluiden die hij niet kende. Het kraken van het huis en de wind die er als een sneltrein omheen joeg. Uiteindelijk viel hij in een droomloze slaap.
Plots hoorde hij gestommel, hij schoot rechtop in bed, gedesoriënteerd –het duurde even voor het besefte waar hij was- even verderop in het gebouw klapperde een deur. Johnny liep naar het raam. De akkers baadde in een zilverblauw licht, de hemel was bezaaid met ontelbaar veel sterren. Op de plek waar de restanten stonden van iets dat ooit een toegangshek was, stond de monnik.

Hij zong een eenzaam lied.

De volgende morgen zat Johnny al voor dag en dauw op de fiets. De monnik volgde in zijn Open Kadett. Ze reden over smalle wegen tussen hard bevroren akkers. De wereld was bedekt met een dun laagje rijp, alsof een hogere macht een bus poedersuiker uit de hemel had laten vallen. De rijzende zon trok een vergulde streep langs de horizon. Daarboven leek de hemel beschilderd met ontelbaar veel kleuren. Johnny bestierf het van de kou en verlangde naar de warme billen van zijn vrouw, 6 croissants en zijn ochtendkrant. Waar was hij in hemelsnaam aan begonnen? Wat en aan wie wilde hij iets bewijzen? De twijfel vrat zich als een bijtend zuur in de moraal die een dag eerder nog onbreekbaar leek. Moest hij er niet gewoon mee ophouden? Zijn loopbaan was toch voorbij.
Klaar!
Straks zou hij in zijn auto stappen en in een streep naar huis rijden, naar zijn vrouw en haar buik die langzaam begon te bollen.
Hij dacht aan het kind. Het hield de hand vast van de moeder. Ze stonden aan het voeteneinde van een kist waarin het lichaam van de renner lag. Gestikt in zijn eigen vet, hartfalen.
Hij vermande zich, zoog zijn longen vol met ijskoude lucht. Een gevoel alsof hij een set messen inslikte.
Johnny liet zich afzakken naar de wagen en tikte op het raam. De monnik draaide het open. Zijn gezicht was nog grauwer dan de dag ervoor, op zijn kaken stond een grimas die Johnny angst aanjoeg. Magere handen omklemden het stuur. Er groeiden grijze plukken haar uit. Het gaf hem iets dierlijks, monsterlijks zelfs.
‘Heb je een jas voor mij?’ vroeg Johnny.
‘Een jas? Met jouw speklaag? Fietsen!’
De monnik had een buitengewoon slecht humeur.

Het vertrek van Johnny had de monnik teruggeworpen in een oud patroon. Een zwakte die hij jarenlang had weten te beheersen, maar die ondanks dat nog altijd smeulde als een veenbrand. En toen zijn pupil met twee tassen om zijn nek de straat uit fietste, laaide het vuur verwoestend op. De gevolgen waren oncontroleerbaar als een op hol geslagen paard. Een zwarte roes die enkele weken aanhield, totdat hij zich herpakte en opnieuw op de fiets kroop. De fiets die als een rode draad door zijn leven liep. Ooit was hij een ei. En samen met heel veel andere eieren werd hij in een doos gestopt en tegen de muur gesmeten. Hij brak. Net als zijn droom. Voor hem geen Vredeskoers, maar terug naar een leven dat hij juist met de fiets had willen ontvluchten.

De vrijheid die hij uiteindelijk toch verwierf, leek onbegrensd. Het leven als een vat vol keuzes. Een overweldigende ruimte. Hij voelde zich als een kalf dat voor het eerst de wei in mocht, maar niet in staat was het land van de sloot te onderscheiden. De vrijheid waar hij zolang naar had verlangd werd een zee waarin hij langzaam verdronk. Hij kreeg een kind bij de vrouw die hij ontmoette in het vrije land en tevergeefs hoopte hij dat het hem een nieuwe structuur bieden zou. Langzaam maar zeker verloor hij alles waarvoor hij zoveel op het spel had gezet. De vrouw, zijn mooie zoon, zijn dromen. Een drankprobleem en een buitengewoon slechte dronk deden de rest. De vrouw vertrok met de zoon en hij bleef alleen achter.
Daarna trok hij onverbiddelijke grenzen in een poging zijn leven te beheersen. Een muur die alles tegenhield wat op verleiding leek. Het was alsof hij boete deed, of in ieder geval zichzelf wilde beschermen tegen de verleiding waarvan hij wist dat hij die niet kon weerstaan. De fiets was zijn pijnbank.
Achter dat dranghek kreeg hij een tweede kans. Tenminste, dat was zoals hij dat zag. Hij bloeide op totdat hij opnieuw verlaten werd.
Hij zoop bij vlagen. Er waren maanden dat hij sober leefde als een calvinist, gevolgd door weken die passeerden als een blinde vlek. De gaten in zijn geschiedenis maakten hem bang.

Hij verwachtte veel van de terugkeer van de renner, maar het viel hem tegen. De jongen van wie hij ooit zoveel verwachtte was verdwenen. Een verongelijkte zeurpiet was er voor in de plaats gekomen. Een man die de verantwoordelijkheid van zijn falen enkel en alleen weet aan een ongrijpbare overmacht. Alsof iedereen, behalve hij, verantwoordelijk was voor de loopbaan die zo heel veel mooier had kunnen zijn. Als hij maar naar hem geluisterd had.
Weer leek een afslag naar een mooie toekomst geblokkeerd.
Dat besef maakte hem woedend.
Hij was een gasbel en er was maar een klein vonkje nodig om de boel de lucht in te blazen.
Johnny stapte af en gooide demonstratief zijn fiets in de berm. De monnik reed eerst een flink stuk door en draaide dan het raam opnieuw open.

‘Een jas, nu’ riep Johnny. ‘En anders stop ik ermee’

6.
De moeder lag half in een stoel, zich verwerend tegen een man die haar in het gezicht sloeg. De jongen hing aan zijn schouders, vastgeklemd als een aapje. De man sloeg de jongen van zich af, alsof het een vlieg was. Hij viel en gilde. De moeder huilde.
‘Ga weg, Dittmar, alsjeblieft, ga weg!’
De man liet de vrouw los, vloekte en liep naar de renner. De jongen stopte zijn gezicht diep weg in het tapijt. Een explosie van gevloek, geschreeuw en gehuil. Daarna een dichtslaande deur, zo hard dat het huis er van dreunde. Het werd stil.
De moeder lag half over de jongen. Ze streelde zijn haar.
‘Hij is weg, Johnny, hij is weg’ fluisterde ze. Ze bleef het herhalen, totdat ze allebei kalmeerden.
Zo lagen ze uren midden in de woonkamer.
In de tuin floot een vogel en Johnny wist dat het leven altijd verder ging.

Johnny deed zijn ogen open. Hij lag op een smalle weg. Naast hem stond een boom, daarachter het lege land dat bolde aan de horizon. Hij keek naar de hemel waaruit het zacht begon te sneeuwen. De lucht was bijna zwart. Zijn hals deed pijn. De kou prikte als een spijkerbed in zijn lichaam. Naast zijn hoofd lag een stroompje bloed dat zich in het grove asfalt vertakte als water in een delta. Langzaam kwamen de herinneringen. Als een puzzel die in stukjes reconstrueerde wat er was gebeurd. Hij keek om zich heen, geen mens te zien.

Ze hadden gevochten. Of beter gezegd: de monnik was hem aangevlogen. In eerste instantie stonden ze ongeveer 50 meter bij elkaar vandaan met in het midden de boom, rechtop als een stopgezette metronoom. Geen beweging, geen ritme, alleen maar een spanning die zich opbouwde als een raket vlak voor een lancering.
‘Slappe zak, stop nou eens met dat gezeur, stap op!’ riep de monnik.
Hij zette een paar stappen in de richting van Johnny.
‘Je bent knettergek!’ riep die. Zijn stem rolde als een bowlingbal over de akkers.
‘Een mens wordt ziek van deze kou!’
‘Stap op!’
De monnik voelde een woede zoals hij jaren niet had gevoeld. Een stuwende, jeukende razernij die alleen maar bevredigd kon worden door iets of iemand te slopen, zonder zich ook maar een moment te bekommeren om de consequenties daarvan. Dat besef kwam over het algemeen meteen daarna, wanneer er ruimte kwam om helder te denken. Dan overzag hij de puinhoop die hij had aangericht en voelde hij spijt die maar op een manier verdween. Hij zakte weg in een leegte die dagen kon duren.
‘Ik had hier nooit moeten komen. Ik heb jou niet nodig. Ik regel het verder zelf wel, mafkees!’
De monnik was niet meer in staat om iets terug te zeggen. Het was alsof de woede zijn keel dichtkneep.
‘Je hebt me vermoord met die belachelijke trainingen. Nu zie ik pas hoe gek je bent’.
Johnny liep leeg, voelde een onbedwingbare behoefte de monnik uit te dagen, te treiteren alsof hij een hond aan een ketting was.
‘Je hebt mijn jeugd verpest!’
Hij dacht aan leeftijdsgenoten die op stap gingen, vriendinnetjes kregen, bier dronken in de kroeg op het dorp, in de feesttent eind mei. Hij hoorde het gebonk vanaf zijn bed. Morgen was het koers. De monnik had drie jaren uit zijn leven geplukt. Hem beheerst zoals een goeroe een sekte in zijn macht houdt. Pas toen hij de kracht vond om te breken, bloeide hij weer op. Hij haatte de man naar wie hij vrijwillig was teruggekeerd.
‘Deed je dat wel vaker? Jongetjes meenemen naar je huis om ze vervolgens te slopen?’

Een waas, klappen, een kort gevecht en toen stilte.

Ditmaal was er geen vrouw die de monnik behoedde voor een gruweldaad. Het was de sneeuw. Eerst dwarrelde ze weifelend uit de hemel, maar al snel bedekte ze de grauwe wereld. Een koude douche die hem uit zijn roes van woede deed ontwaken. Hij keek in de ogen van het kleine joch. Dezelfde doodsangst, dezelfde ogen. Een volwassen lichaam.
Hij hield van hem.
De monnik huilde en dacht terug aan de nacht dat alles veranderen zou.

Het was een maanloze nacht. De monnik fietste naar een auto die op de afgesproken plek stond te wachten. Een paar dagen eerder had hij ze ontmoet: de man en vrouw die hem vertelden over hun Heiland. Hij speelde interesse, maar dacht aan het vrije land waar zij hem konden brengen. Op de plek waar eerder Bijbels lagen, een dubbele bodem in een kofferbak, lag hij opgerold als een foetus te wachten op zijn nieuwe leven. Een geboortekanaal dat hem via Hongarije voerde naar zijn tweede geboorte.
Tijdens de reis, die eeuwen leek te duren, dacht hij aan alles dat hij achterliet. Zijn ouders, de ingekaderde veiligheid, zijn broer, zijn jeugd.
Zijn droom om wielrenner te worden, had hij nooit laten varen. Ondanks de schande van de afwijzing. Hij was gewogen en te licht bevonden, gebroken in een klimaat waarin alleen de allersterksten het redden. En toch, ergens, diep weggestopt in zijn gebutste ziel, brandde er een vuur, aangewakkerd door de beelden die hij ooit eens had gezien. Ze hadden hem nooit meer losgelaten. Bijna dagelijks dacht hij aan het paradijs en haar bewoners. Hij zag zichzelf koersend tussen Italiaans mannen als Francesco Moser. Haantjes, goed gesoigneerde kerels op schitterende fietsen. De zon blonk in hun gitzwarte haar. Hij reed zij aan zij met Bernard Hinault, de Breton die koerste als een veldheer. Hij koerste in België, het land dat hij beschouwde als de bakermat van de sport. Maar vooral droomde hij van een plek in die schitterende ploeg van Peter Post. Oost-Duitse discipline vermengd met de brutaliteit en het uiterlijk vertoon van het Westen. Hij reed de Tour de France in de trui van de firma, verdiende bakken met geld en reeg de overwinningen aaneen als kralen aan een ketting. De dromen gaven hem een gevoel van lichtheid, deden hem denken aan een land waar de zon altijd scheen. Schaars geklede mensen die zich vermaakten langs langgerekte wegen richting steden met namen die hem bijna frivool in de oren klonken. Koersen in het vrije westen met de Tour de France als de heilige graal. Hij was al 24 jaar oud, maar als hij er alles voor zou doen, was er heel misschien nog wat mogelijk. Het moest nu gebeuren, voordat het te laat was en hij met spijt terug zou kijken op een leven waarvoor hij zelf niet gekozen had.
Hij zou jarenlang geen fiets aanraken.
Soms droomde hij van indrukwekkende solo’s door een verzengend heet land. Hij beklom legendarische cols, scheerde langs ravijnen, declasseerde de renners uit het westen, mannen die gewoon als jongens waren opgegroeid. Hij naderde de finish en steeds waren ze daar: militairen, honden. Ze werkten hem tegen de grond, sloegen hem in de boeien en voerden hem af. Zijn achtervolgers passeerden hem. Nooit kwam hij verder dan dat ene punt.
Daarna zat hij rechtop in bed en vroeg hij zich af wat de vrijheid hem uiteindelijk had gebracht.

De monnik wist wat hem te doen stond; omdraaien, terug naar de renner. Hij zou hem in zijn armen nemen. Hem beschermen zoals de rolpatronen dat voorschreven. Hij reed door, richting de boerderij, zijn wortels die rust had moeten brengen. Wat had hij van zijn leven gemaakt? Hij voelde zich zwak, niet in staat zichzelf nog eens te onderwerpen aan een zelfverkozen regime. Het voelde als een vreselijk verlies.

Hij brak.

7.
Johnny kroop naar de boom, op zoek naar een klein beetje houvast in de chaos. Boven zijn hoofd vloog een kraai. Het gekras van het beest klonk als nagels op een krijtbord in een doodstil klaslokaal. Hij dwong zich te focussen op het record. Na te denken over zaken als de kleding die hij zou gaan dragen – wielerkleding of toch een formule 1 pak als Fred Rompelberg-, de fiets -die moest hij vast ergens laten maken en dan testen in een tunnel- , sponsoren en nog meer dingen die hem op dit moment volstrekt onbelangrijk voordeden. Denken aan het record bedekte echter het besef dat er iets vreselijks, iets onomkeerbaars was gebeurd. Het gevecht markeerde een grens en aan de gevolgen durfde hij niet te denken. Maar terwijl hij zijn lichaam als een pop tegen de boom plaatste en uitkeek over het land dat samenvloeide met de hemel, zag hij het kraakhelder: de magere man uit zijn droom; Dittmar, het gebruik van zijn bijna vergeten naam. Alles viel als een puzzel op zijn plaats. Hij dacht aan zijn vader, herinnerde zich zijn geur. Een goedzak bij wie hij nooit de warmte voelde van een vader-zoon relatie die sterker is dan welke band dan ook. Knuffelen en liefde geven, was iets dat in de tijdschriften stond die zijn vrouw las. Af en toe liet ze hem wat lezen. Hij weerde het af.
‘Eerst het record, lieve schat’.
De metaalachtige smaak in zijn mond deed hem denken aan haar. De eerste keer dat ze hem de ogen keek. Bezorgd. Precies zoals ze hem nu ook zou bekijken. Hij miste haar. Een gevoel van spijt sneed door zijn lijf. Hij had haar verwaarloosd met het record als nieuw excuus. En weer had ze het geaccepteerd, had ze ruimte gegeven aan zijn droom, waarvan hij nu wel wist dat het een vlucht was.
Een record, waar was hij in hemelsnaam mee bezig? Dacht hij nu werkelijk dat hij door achter een auto over een zoutvlakte te rijden zijn carrière nog van een mooie glans kon voorzien? En dan? Was hij dan zomaar beroemd? Er kwam zoveel meer bij kijken, dan alleen maar dat fietsen. Daarna begon het pas; hij had weer eens te vroeg gejuicht. Het was het verhaal van zijn leven: steeds dacht dat hij er al was. En telkens werd hij ingehaald door de waarheid. Te vroeg naar de profs, te vroeg rijk gerekend met een record en te vroeg gejuicht in Kuurne. Gek genoeg verlangde hij terug naar dat moment. Dat grenzeloze gevoel van geluk. Het was waarvan hij jaren had gedroomd. Het maakte de deceptie des te groter. Waarom had hij geen keuze gemaakt na die dag? Het gevecht aangegaan om echt een mooie koers te winnen, what doesn’t kill you, makes you stronger, dat idee. Hij had zich geschikt in zijn rol, was weggekropen in een hoek, als een bang konijn. Hij had ook terug kunnen slaan, de mensen die hem uitlachten de mond snoeren met resultaten. Het verlies van Kuurne had de aanzet moeten zijn voor iets moois. Een nieuwe fase in zijn loopbaan. Hij durfde niet en koos voor veiligheid bij een mooie ploeg, een degelijke baan tussen de wielen, een renner met een 9 tot 5 mentaliteit. Tevreden met zijn status als professioneel wielrenner, kickend op zijn rennerslijf. Hij leefde keurig binnen de lijntjes.
Hij moest weg hier, terug naar de boerderij. Buiten de boom was er niets. Een grijze koepel, een stol zonder uitgang. Hij moest opstaan, maar hij deed het niet.

Het was beestenweer. De renner reed alleen vooruit. Het peloton volgde op voldoende afstand om in ieder geval kansrijk te zijn. Hij plooide zich; nog eenmaal alles geven. Hij naderde de finish en zag een helder licht. Daarin zag hij ze staan; twee mannen; zijn vader en de monnik. Hij kneep in de remmen, boog af naar het hek. De bel klonk.
‘Jongen, je moet nog een rondje’ zeiden de mannen. Hun stemmen klonken vriendelijker dan in zijn herinnering’.
‘Ik wil niet’ zei de renner.
‘Weet je het zeker?’ vroegen de mannen.
De renner knikte en stapte over het hek. Samen keken ze naar het peloton dat voorbijraasde.
‘Je had een flinke voorsprong’ zei de man met de snor.
Weer klonk er een bel. Hard en schel.
‘Je moet nu echt weer opstappen’ zeiden de mannen en ze spreidden hun armen voor een laatste omhelzing.
Hij rook de scherpe geur van de monnik na een lange training. Het vermengde zich met de zoetige geur van alcohol en tabak van de man met de snor.
Het was alsof ze in elkaar vloeiden, verdwenen.
Nogmaals de bel. De renner schrok op en rende naar zijn fiets.

Het was alsof hij even met zijn hoofd boven water kwam. Hij hapte naar adem. De kou sneed hem de adem af. Het begon nog harder te sneeuwen.

8.
Terwijl Johnny zijn verkleumde lijf op de fiets hees, dacht hij terug aan het moment dat alles anders werd. Een herinnering even helder als de sterrenhemel in de afgelopen nacht. Papa lag onder de grond, mama brak en Johnny zag een mens als een machine, zoevend door een zonovergoten land. Zijn imposante benen blonken in het felle licht, de snelheid spatte van het televisiescherm. Het bleek het kantelpunt in zijn leven te zijn, de aanzet voor duizenden kilometers, koersend in een peloton, eenzaam en alleen in training of ergens in een sfeerloze uithoek van Spanje voorbereidend op een nieuw seizoen. Maar te snel vergat hij de basis van zijn nieuwe bestaan, de reden waarom hij ooit gegrepen werd door de fiets. De dromen die zijn ambitie voedden, verdwenen. Net als het gevoel een uitverkorene te zijn. Maar nu, diep in de misère, voelde hij het weer. Dezelfde opwinding, het besef dat wat je overkomt geen keuze is, maar hoe je ermee omgaat wel. Zijn moeder groef zich in op de bank, zijn broertje hing op straat met foute vriendjes en hij droomde van roemrijk bestaan op de fiets.
Hij herkende zich niet meer in de knul die het heft in eigen handen nam. De kracht om zelf keuzes te maken, het leven aan te vallen in plaats van het af te wachten, was weggevloeid. Een kleurloze loopbaan in dienst van anderen was het gevolg.
Ooit gaf Michael Indurain hem de kracht om te vechten. Nu zou de zwijger van Navarra hem opnieuw gaan redden uit een uitzichtloze situatie. Hij zou het nodig hebben. Daaraan klampte hij zich vast.
En ondanks alle vragen, het verleden dat als drijfzand onder zijn voeten lag, de pijn en de angst hier in deze witte wildernis te sterven, voelde hij iets dat hem deed denken aan geluk. Alsof de uitzichtloosheid van de situatie waarin hij zich bevond, hem een bepaalde vrijheid schonk. Een schone lei, een nieuw kantelpunt.

Johnny keek om zich heen, naar de witte wereld zonder einde. Hij voelde zich als een roeier midden op de oceaan. De boom was zijn enige aanknopingspunt. Hij dwong zichzelf niet te panikeren, maar rustig te beredeneren waar hij heen moest rijden.
Weg en land waren bijna niet meer van elkaar te onderscheiden. Af en toe liep hij vast in een akker of een hoop rommel langs de kant van de weg. Hij focuste, kreeg grip op de ondergrond en fietste alsof een heel peloton hem op de hielen zat. Johnny dacht aan de zon, die opkwam in het Oosten, hij moest naar het Westen, altijd naar het westen en weg van de boom. Er was geen ruimte meer voor twijfel noch concessies. Als hij fout reed, ging hij eraan voor de moeite. En als het goed ging? Hij had geen idee.

Johnny plooide zich over zijn stuur, zijn lijf als een machine. Langs de kant van de weg stonden mooie meiden in bikini, kinderen en vaders vochten om zijn bidon. Hij fietste in zijn nooit voltooide jongensdroom: de Tour de France. Als de grote jongens koersten in de mooiste wedstrijd van het jaar, reed hij in Noord-Duitsland, Wallonië, of in een goed jaar in Oostenrijk. Hij dacht dat hij zich ermee verzoend had en lachte om de mensen die beweerden dat een renner pas echt een renner is met een Tour op het CV. Nu pas voelde hij het gemis, de onvoltooidheid van zijn loopbaan. Nooit had hij deel uitgemaakt van de kermis die drie weken lang door een land trok dat in zijn dromen altijd baadde in de zon.

Juist toen de twijfel aan zijn vastberadenheid begon te knagen, zag hij een kleine oneffenheid aan de horizon. Misschien was het de boerderij, misschien ook niet. Hij dacht aan de monnik. Waar zou hij zijn? Op de boerderij? Of dwaalde hij ook nog ergens rond hier in deze wildernis. Opnieuw zag hij zijn vader en de monnik. Licht en doorschijnend stonden ze achter de hekken. Was het een droom of een visioen? En wat wilde het hem duidelijk maken. Een schok flitste door zijn lijf. Haatte hij de monnik? Wenste hij hem dood? Hij wist het niet, maar had te veel te vragen. Hij moest snel zijn, voordat het te laat was.

Het peloton hijgde in zijn nek.

9.
De monnik gaf het op. Hij had zijn laatste kans op geluk om zeep geholpen. De man die zo krachtig en gedisciplineerd acteerde, was definitief door de mand gevallen. Een zwakkeling. Hij voelde zich als een spits die miste, keer op keer. Vanaf de zijlijn kwam het signaal. Het was genoeg. De monnik had er vrede mee. Wat had het leven hem nu nog te bieden? Maar als hij ging, moest het in stijl. Ergens achter in de loods stond de fiets waarmee hij was gevlucht. Waarschijnlijk gevonden door zijn ouders op de plaats waar hij in de kofferbak gekropen was. Het enige dat hen herinnerde aan hun zoon. Later toen hij terugkwam, had hij ze gezocht. Dat ze nog leefden leek hem onwaarschijnlijk. Het gemeentearchief bevestigde zijn vermoeden. Het voelde alsof hij zelf zijn verleden had uitgegumd. De terugkeer van zijn zoon bood hem nieuwe grond onder de voet. Hij verprutste het. Ook de toekomst was verdwenen. De monnik voelde zich als een eiland in de tijd.
Hij poetste de fiets. Nam de ketting af met wasbenzine, net zolang totdat ze glom. Daarna kleedde hij zich uit. Hij bekeek zijn lichaam in een spiegel. Broodmager, vel dat slap om zijn botten hing. Grijze haren op zijn borst en benen.
Het werd tijd om zich fatsoenlijk te soigneren.

Vanonder de haren verscheen een grauwe huid. Met zijn ene hand trok hij zijn vel strak, met de andere hanteerde hij het mes. Het karwei gaf hem rust, verdrong de gedachten aan zijn zoon die bewusteloos tussen de besneeuwde akkers lag. Een wit graf en als het voorjaar kwam, zou hij gevonden worden. Het lichaam half ontbonden, de identiteit en toedracht een raadsel. Toen het scheren klaar was, pakte hij wat olie. Het prikte vriendelijk op zijn benen, de geur gaf hem goesting in de koers. Hij hulde zich in de trui van de wielerschool, klikte de bretellen vast aan de wollen broek, strikte de dunne veters van zijn schoenen en stapte op. Zo reed hij rondjes door de grote loods. Precies in een hoek drong een strook licht naar binnen. Het deed hem denken aan een wielerbaan.

Naast hem reden Gerrie Kneteman, Francesco Moser, Bernard Hinault en Jan Raas. Een selecte groep die ging strijden om de winst en hij was erbij. Het was een warme dag. Langs het parcours stonden schaars geklede dames. Kinderen en hun vaders vochten om zijn bidon. Hij zette aan en sloeg een gat. Er kwam een auto achter hem rijden. Aan het stuur zat Peter Post. Hij hing half uit het raam en moedigde hem aan.
‘Rije, rije’
De monnik gaf alles, op weg naar een etappezege in de mooiste wedstrijd ter aarde. Maar toen waren ze er weer; de demonen uit het verleden, ze sloegen hem tegen de grond en vernietigden zijn dromen. Waarom had hij Siegman de waarheid niet verteld? Spijt sneed als een roestig mes door zijn ziel. Nu was het te laat, de jongen was dood. Vermoord door zijn bloedeigen vader. In blinde woede en paniek smeet hij de fiets door de loods. Daarna pakte hij een hamer en sloeg deuken in het frame.
Hij kwam enigszins bij zinnen en dwong zichzelf weer rustig te worden. Zo mocht het niet gaan. Wat gebeurd was, was gebeurd. Het einde moest rustig en waardig zijn.
Met breekbare stem zong hij een kinderlied, het lied dat zijn moeder voor hem zong als hij bang was of niet kon slapen. Hij zong het nog altijd, soms midden in de nacht. Het gaf hem rust, wanneer het stormde in zijn kop. Eenmaal bedaard stapte hij in de Opel Kadett en parkeerde hem in de kleinste ruimte die hij vinden kon, daar waar vroeger het landbouwgif werd bewaard, en sloot de deur. Hij startte de motor en kroop als een foetus in de kofferbak.

De monnik was klaar voor zijn laatste reis.

10.
Johnny reed een dimensie binnen waar hij tot dan toe niet was geweest. Jarenlang gekoerst, maar nooit door tot het gaatje, nooit voorbij de grens die hij zo vreesde. Steeds wanneer het echt pijn dreigde te gaan doen, vond hij een excuus om de vingers terug te trekken. Werken voor de ploeg, morgen weer een etappe of volgende week een koers waar pas goed hoefde te zijn. Professioneel gedrag, niemand is groter dan het team, maar ondertussen koersen als een boekhouder. Een loonslaaf op twee wielen en alles op save. Dat te vroeg juichen in Kuurne, was dat stiekem ook geen excuus geweest? Verkoos hij de hoon van het volk boven de pijn die hij zou moeten lijden om het inmiddels op hol geslagen peloton nog een ronde voor te blijven?
Tuurlijk, hij had best wel eens afgezien. In de staart van het peloton met een trui vol bidons, in de waaier wanneer het pak aan stukken sloeg. Maar dat was lijden binnen de lijntjes, reactief, opgelegd door wat andere renners bepaalden. Zelf zijn vingers tussen de deur stoppen, hem keihard dichtknallen en dan nog eens aanduwen, dát had hij nooit gedurfd.
Nu echter deed hij het gewoon, stortte hij zich zonder erbij na te denken in een donker ravijn. Het visioen was als een hijgend peloton dat hij onder zijn oksel door kon zien. Hij leed, proefde bloed, een rol schuurpapier werd door zijn luchtpijp heen gehaald, maar hij trapte er dwars doorheen. Het verleden had een hoekje opgelicht van haar geheimen. Hij klauwde zich eraan vast.

Johnny folterde zijn eigen lichaam, stak zijn vingers tussen de deur, sloeg ze plat met een moker en voelde een sensatie die hij nooit eerder had ondergaan. Eindelijk vond hij het luikje dat hij altijd vermeden had. Een vat van mogelijkheden werd voor hem uitgerold. Nu hij wist dat hij hiertoe in staat was, moest hij dan wel stoppen met koersen? Moest hij niet gewoon een doorstart maken. Een nieuwe, herboren Johnny die dan eindelijk zijn belofte in zou gaan lossen? De recordpoging, die hij eerder afgedaan had als dwaasheid, lichtte weer op. Hij zou het record verpulveren, vernietigen. Hij en niemand anders werd Johnny 269.
‘Fred, eat your heart out!’ brulde hij.
Hij schrok van zijn eigen stem. De monnik! Hij was weer eens aan het dromen geslagen. Wellicht lag hij dood te gaan. Waar hij nu voor fietste, ging de sport ver te boven. Het was een zaak van leven en dood.

De oneffenheid aan de horizon kreeg steeds meer vorm en Johnny wist dat hij de juiste keuze had gemaakt. Even later draaide hij het erf op. Het was helemaal verlaten. De deur van de grote loods stond open. Hij reed naar binnen en voelde zich heel even als een renner die na een helletocht tussen Parijs en Roubaix de piste opdraait. Eenmaal had hij aan de start gestaan van de kasseienkoers. In het Bos van Wallers had hij er met blaren op de handen de brui aan gegeven. Het werk voor de ploeg zat erop, volgende week weer een nieuwe koers en doorfietsen om enkel en alleen een koers uit te rijden, was iets voor amateurs. Nu pas had hij spijt van die beslissing.
Het was halfduister in de loods, een bundel licht bescheen een gebutste fiets. Johnny stapte af en riep heel hard de naam die hij zich herinnerde uit de droom eerder die morgen:
‘Dittmar, Dittmar, hier, Siegman’.
Geen reactie.
Hij luisterde gespannen en hoorde dan een monotoon gebrom. Na een korte zoektocht belandde hij in het kleine hok waar hij bijna stikte in de uitlaatgassen van een stationair draaiende Opel Kadett.

Hij rukte de portieren open – ‘Dittmar, Dittmar!’- , daarna opende hij de klep van de kofferbak.

11.
‘Zwart’ zei de monnik en hij gaf Johnny een euro. Johnny nam een bal gehakt en een fles cola.
‘Smaakt het?’ vroeg de monnik.
Johnny knikte.
Daarna keken ze samen naar het verkeer dat over de autobahn raasde.
Ze waren bijna op de helft van hun reis terug naar Nederland. Op weg naar weer een nieuwe start, een nieuwe kans. De weg die doodgelopen leek, had toch nog een vervolg gekregen. De monnik vroeg zich af waar hij dat aan had verdiend.

Hij had een stem gehoord, vaag, ergens ver weg. Ondertussen zonk de monnik weg in een duister gat. Of werd hij opgetild? Hij had geen idee; er was geen richting, geen vorm, alleen maar een licht dat hem aantrok als een magneet. Hij zweefde als een vogel boven het land en genoot van de rust, de ontspanning. Opnieuw hoorde hij zijn naam, de stem die hij ergens van kende, ze waren als een trampoline die zijn richting keerde en hem terugschoot. Hij klauwde wanhopig naar houvast, een richel, een rand, een gat in het ijs. Weer zakte hij weg, zijn lichaam werd ruw heen en weer geschud, hij raakte uit balans, butste tegen de wanden van de tunnel. Weer hoorde hij zijn naam, dezelfde stem. Het licht was warm, aantrekkelijk, maar hij voelde dat hij daar niet moest zijn. Toch nog niet. Hij stuiterde weer weg van het licht, een hand die hem greep en hem over een rand heen sleurde. Het was alsof hij werd opgetild en weg gedragen. Daarna werd hij neergelegd, een spijkerbed van kou. Het was alsof hij opnieuw geboren was. Als een dier, nog nat van de bevalling, kroop hij over de grond. Hij kotste, zakte weg, klappen tegen zijn hoofd, hij kotste opnieuw en opende toen zijn ogen. De stem zei dat hij opa werd.

‘Siegman’ fluisterde hij. Zijn mond was te droog om te praten. De jongen rende weg. Kwam terug met een stapel dekens, sloeg ze stevig om hem heen. Daarna schepte de jongen hem op als een vorkheftruck. Als een kind werd hij naar binnen gedragen. Hij zakte weer weg, een ander gat, minder diep, geen licht aan het einde. Toen hij ontwaakte, zag hij dat het nacht was.

‘En nu?’ had de monnik een paar dagen later gevraagd. Johnny zat naast het bed en haalde zijn schouders op.
Johnny had de monnik verzorgd. Ze hadden gesproken, over het verleden, over het gevecht, hun relatie en de toekomst.
‘Leer mij dat lied’ vroeg Johnny op een avond toen de monnik het bijna onhoorbaar zong. De monnik leerde hem het lied. Het voerde beelden mee van een vroeg verleden dat Johnny had weggestopt. Ze maakten de puzzel compleet en vormden een verklaring voor de gebeurtenissen van de dagen daarvoor.
Johnny dacht terug aan de uren in de besneeuwde hel. De spiegel die hem verteld had dat hij het had laten liggen. Niet alleen in zijn wielerloopbaan, maar eigenlijk in heel zijn leven. Hij herinnerde zich het geluksgevoel dat het afzien hem gegeven had, het verlangen om er mee door te gaan. Maar tegelijkertijd was hij in staat geweest het fietsen, zijn dromen en ambities voor het record in het juiste perspectief te zien. Hij begreep dat het record alleen hem geen geluk ging brengen. Het ging erom dat hij keuzes durfde te maken, net zoals hij deed vlak na zijn bekering, en daar vervolgens ook in moest blijven geloven.

‘Je bent wel een sportman, Johnny’
Ze spraken over zijn twijfel en de monnik zei dat hij er alleen voor moest gaan wanneer hij er zelf in geloofde. Hij moest het doen voor zichzelf, niet voor de roem en al helemaal niet voor andere mensen.
‘Het spijt me’, had de monnik eraan toegevoegd. ‘Ik wilde jou laten zijn wat ik zelf nooit geworden was. Dat was fout’.

Er stond nog een hoop te gebeuren en Johnny en de monnik stapten weer in de wagen op weg naar huis, op weg naar alles dat er nog te regelen was voor het record.
Het was nog vroeg, de weg relatief leeg. Ze reden stevig door.
‘269 is gewoon ziek’ zei Johnny opeens. Hij gaf een flinke stoot gas, de auto versnelde.
‘Stel je voor dat je hier nu met een fiets achteraan rijdt’.
Hij keek naar het land dat als een waas aan hem voorbij flitste.
‘En dan nog 70 kilometer harder’ glimlachte de monnik.
Hij leek een stuk zachter sinds Johnny hem uit de kofferbak had gevist.
Johnny gaf nog meer gas, de auto reed bijna 230 per uur.
‘Harder dus dan mijn wagen kan’ riep Johnny. De snelheid wond hem op.
Opeens was er iets. Misschien was het een lichtflits, een vogel of een remlicht in de verte. Voldoende in ieder geval voor een minuscuul rukje aan het stuur. De wagen begon te zwabberen, kwam dan los van de grond en dwarrelde als een herfstblad op een trottoir over de autobahn.

Johnny wist het niet zeker, maar hij voelde de hand van de monnik op zijn schouder. Straks zouden ze als een gevallen pak speculaasbrokken van het asfalt worden getild.
En toch had hij vertrouwen in een goede afloop. Hij was nog niet klaar met zijn leven.
Sterker, het was nog maar net begonnen.

Het gaf hem een gevoel dat hem aan geluk deed denken.